Zo met de anderen in hetzelfde schuitje schreeuwen mijn hersenen “blijf onder mijn vel uit!”
Met lijf en leden dik ingepakt de afstand in die schuit ver genoeg onderhuids kriebelt weer zweet dat niet van mij is
Dat zijn zo van die dagen dat ge u afvraagt, wat ge al weet
De fysieke grenzen overschreden, de luchtballon in mijn kop die koers verliest en de mentale grenzen omver laat wankelen
Het machteloze die vervuiling onderhuids alle contrasten van een dag onder één vel gepropt alles wat mooi was en alles wat lelijk was
Alles tezamen en om dan alleen het mooie te zien de vrouw die me in de bus haar plaats afstond het kind onderweg dat vrolijk ‘hallo m’vouw’ riep de vrijwilliger die koffie bracht en een koekske
en als ge goed kijkt het lelijke want ook dat schreeuwt dat wil dat ge kijkt en ge hoopt dat het een fase is en dat het goed komt – met die opspelende grenzen blijft ge nog wat in de kantlijn want ge weet wel dat het goed komt dat vertrouwt ge, ook dat zit onder uw vel en ook al
hebt ge hele andere dingen meegemaakt wat ge ziet bij anderen en haarscherp aanvoelt dat maakt dat wat niet van u is u wakker toch schudt over de dingen voordat ze al goed gekomen waren zelfs van in uw kinderjaren ge zit daar toch afwezig te zijn, waarom ook niet
en ineens schiet het woord ‘lustrum’ door uw kop maar toch ge wilt dat niet vieren dat ge het weet zelfs met moeite niet vergeet dat anderen zeggen dat ge maar blij moet zijn want ge zijt er nog
ook al weet ge dat zelf wel, ge zit daar afwezig en zwijgend te zijn en dan daar doorheen toch daardoor straalt ineens dat lachske van dat ochtendkind
waar ik vanmorgen “hallo, meisje” aan zei en ik afwezig of niet, weer lach
AMK – 03 december 2022
foto: tussen het monsterlijk begin en het lustrum in
Soms wordt een mens even gekatapulteerd en schrijft de blote waarheid, denkt geen ge weet dat het rauw klinkt, maar ook dat het dan duidelijk is. Ik had getwijfeld of ik dat zou bloggen en dan doe ik het wel, louter om het gevoel van machteloosheid weer te geven.
En ge denkt dan ‘dat ken ik’ en ge wilt goede raad geven en perspectief want ge weet dat dit overgaat en ge houdt u toch in want ge weet ook hoe zwaar dat op uzelf woog toen gij nog in het begin was, met al die onwetendheid
Ge weet nog hoe boos ge waart en hoe niemand u begreep want
ge werd overdonderd met goede bedoelingen dat ge maar moest aanvaarden
en ge waart zo ongerust en ge kon dat niet kwijt
ge wist dat iedereen iets te zeggen had maar dat ging niet
over u en ge werd nog kwader en ge waart ook veel te moe
En ge denkt dan ‘dat ken ik nog’ als de baxterbuur ventileert
De ervarings-ondeskundigen gaven te veel informatie die ge niet nodig had ze susten u en met goede bedoelingen maar ge waart zo kwaad soms zei ge al Nee! voordat de stem geluidde die te hoog klonk van ongemak
Ge zwijgt maar en ge luistert zelf naar de boze stem van van de baxterbuur ge kunt niet weglopen, ge hangt aan die katheder en zij ook
Ge probeert een onzichtbare muur op te bouwen maar die baxterbuur blijft doorpraten dat niemand haar begrijpt, dat de dokters maar wat zeggen en dat ze niet willen luisteren en zelf doorpraten over hun ervaring en dat ze weten wat ze doen en
ge denkt dat ken ik en ge weet het nu al wel
Maar ge kunt dat niet zeggen, nog niet en haar klachten blijven uit haar mond rollen en dat ze daarom nu zo ziek is en ze kan wel doodgaan en ‘waarom toch? Ik heb het hen toch al zo vaak gezegd!’
Bam! Mijne muur valt in diggelen en ik doe mijn ogen stijf toe en ik denk, ‘niet weer, niet weer, niet weer!’
En ge doet uw ogen weer open en ge denkt dan, heel verwonderd en bijna blij, wat een geluk, niet weer!
Ge weet dat ook bij de baxterbuur het zal afvlakken, niemand is eeuwig boos en zelfs gijzelf had dat op een keer laten varen en stapte uit de verdediging ge verantwoordde u niet meer, voelde aan wat goed voor u was en soms
liet ge het zelfs toe want er was niets anders meer, toelaten dat goede voor u ge wilt er wel van spreken want ge denkt aan Kavafis die over zijn liefde niet eens kon spreken en gij wilt over uw bestaan spreken en meedelen maar er is een ding dat ge nooit meer wilt,
u verantwoorden voor de verhalen in anderen hun kop
En ge ziet dat duidelijk, aan uwe baxterbuur, ge ziet hare man tegen haar in praten en een beetje meewarig lachen ge weet wel, ervarings-ondeskundige hij ziet in haar woede haar onmacht niet maar hij is zeker zelf bang
Ge ziet dat hij haar het zwijgen wil opleggen dan breekt ge bijna toch want ge denkt wat ge net niet zegt als hij haar zegt dat het allemaal zo erg niet is en zij reageert waardoor hare bloeddruk nog groeit want ook daarover heeft ze verteld
ge denkt dan dat ken ik en ook wat ge net niet zegt tegen die man: 'Houd toch uwe mond toe!’
juweeltje van papier
wat je soms hoort en ziet en wat heel menselijk is, onmacht over het oncontroleerbare. En dan denk ik ‘wat ben ik blij dat ik enkeling ben!’ 😉
Loes woonde in een gewone straat, met gewone buren. Ze ging gewoon naar school, zoals alle kinderen in haar buurt.
Loes las al veel woorden uit haar leesboek en ze schreef er nog meer. Achteraan in haar schrift, waar de juf het toch niet zag. Zomaar. De juf liet haar toch met rust. Zo schreef ze alle dingen die in haar hoofd zaten. Zo wilde ze wel eens iets schrijven van de oude pianolerares met haar grote dikke bril en kromme vingers. Die was zo streng. Loes wilde haar laten verdwijnen in haar woorden.
Ze durfde alleen niet van monsters schrijven…
Soms ’s nachts huilde Loes wel eens of riep heel hard tot haar ouders wakker werden. Dat waren nachten waarin ze bezoek kreeg van een monster. Meestal kwam papa haar troosten en bleef tot ze weer rustig werd en sliep. Daarna vergat ze alles. De volgende ochtend gaapte ze wel nog wat maar ze was vooral blij dat het monster weer weg was.
Op een keer bij zo’n rare nacht werd Loes wakker. Ze zweette heel hard. Ze voelde de tranen op haar wangen. Die stroomden en stroomden en ze riep luid: “Mamaaaaa!” en “Neen! Neen! Ga wééég!”
Mama kwam niet. Papa kwam niet. Waarom hoorden ze haar nu niet? Waren ze nog zo druk bezig? Het was toch al midden van de nacht?
Loes ging rechtzitten, helemaal in het hoekje met haar deken over zich heen getrokken, tot net boven haar neus en haar ogen dichtgeknepen. Ze durfde niet kijken. Er was ook veel lawaai! Ze beefde en huilde. En toen werd het een beetje stiller. Eén oog ging voorzichtig open en daar zag ze het: een donkere vlek! Dáár! Net onder het bed. Ze huilde weer en kroop snel helemaal onder het deken tot het weer stiller werd. Ze keek nog een keer en zag weer de vlek. Een beetje groter deze keer. De vlek werd een lelijk bolletje, met haartjes op. Het had ook pootjes. Het lawaai verstilde.
Loes bleef in haar hoekje zitten maar trok het deken niet meer over haar hoofd. Alles aan haar zweette. Haar hart bonkte en haar buik voelde raar. Ze staarde naar het monster. Dat zette één poot op het bed, dan nog een poot. Het was niet gehaast. Zijn kopje hing wat naar beneden. Waarom was het zo traag?
Opeens werd Loesje boos! Papa had gezegd dat monsters niet bestaan. Misschien is hij zelf wel bang. Niemand komt naar boven. En toch zie ik een monster, dáár aan het einde van mijn bed.
Ze kneep haar ogen dicht tot ze pijn deden. Langzaam gingen ze toch terug open. Het lelijke wezentje zat nu al aan de zijkant, op de matras. Zou ik dromen?
Ze wilde niet meer bang zijn en nam een dapper besluit. Ze stak haar hoofd helemaal boven het deken en vroeg aan het monster: “W-w-wie b-b-ben jij?”
“Ik ben Mormeltje.” Hij kraakte toen hij sprak.
“W-waarom ben je h-hier als het nácht is?”
“Ik-ik ik durf me niet laten zien in het licht.”
“Waarom? Ben jij ook bang?” Loes bleef voor alle zekerheid nog in het hoekje zitten. Haar deken was wel al van haar schouders gevallen. Ze had het niet eens gevoeld.
“Ja, ik ben dan heel bang,” zei Mormeltje.
“Waarom dan?”
“Ik ben zo héél erg lelijk! Niemand wil mijn vriendje zijn. Niemand praat met mij.”
Loes keek eens goed naar hem. Hij had gelijk! Hij was echt lelijk. Maar daar kon hij toch zelf niet aan doen? Het monstertje zal zo wel geboren zijn. Zoals haar buurjongen in de klas. Daar was ze ook niet bang van. Dat was een heel aardige jongen én slim.
“Ga je me echt niet pijn doen?”
“Neen, natuurlijk niet. Jij bent zo’n lief meisje.”
“En ook niet opeten?” Het monster begon ineens te lachen. Hij kraakte niet meer. Loes lachte eerst voorzichtig, mee en moest steeds harder lachen.
“Sst. Seffens worden mama en papa wakker. We moeten een beetje zachter zijn.” Ineens zaten ze naast elkaar op de rand van het bed, Loes en het monster.
“Ben je nu niet meer bang van mij?”
“Wel, een heel klein beetje nog. Maar ik vind het ook wel erg dat je met niemand kan spelen.”
“Ik ook, maar ik ken niets anders meer. Met grote mensen kan ik ook niet praten.”
“Met volwassenen bedoel je?”
“Ho maar. Je kent precies veel woorden.”
“Ik ben wel al zes, hé!” Ineens vond ze het veilig. Ze was helemaal niet meer bang. Terwijl ze naar hem lachte, zag ze hem kleiner worden en kleiner en kleiner. Tot hij weer een vlekje op de grond was en langzaam wegsmolt.
“Hé! Waar ga je heen? Je smelt!”
“Neen, nee. Ik moet nu ergens anders heen. Jij bent nu vast wel moe …”
Loes hoorde het niet meer.
Dat moet ik in mijn schriftje schrijven… dacht ze bijna weer in dromenland, bij feeën en kabouters en … Mormeltje. Misschien ging het nu wel op bezoek bij de pianolerares…
AMK (voor Marijke)
rechtenvrije foto uit pexels.com, meruyert gonullu