Mama

Ik weet nog hoe het was

hoe we ‘stiekem’ onze cadeautjes verstopten

tot die grote dag je verraste

Dachten we toen nog ook al wist je beter

Dat we giechelden om ons geheimpje

Zelf voor ontbijt zorgden

Hoe we buiten zaten met onze gedichtjes

wriemelend voorlezend

Hoe we straalden om jouw blij zijn

Hoe je toen vertelde

‘ik wist wel dat je dat zou geven’

Hoe we vooraf onszelf verraadden

nog zo heerlijk onwetend

Hoe blij verrast je lach ons charmeerde

Hoe dankbaarheid aanvoelde

Wat onvoorwaardelijk was

De dingen die we niet vergeten

die we in onszelf weer zien

en ons goed doen voelen

Dát!

Ik weet nog hoe het was

Toen je onze mama was

Ik weet nog

Jij bent nog!

Nooit moe van woorden

Ik ben moe!

Moe van moeten

Moe van mogen en intussen volhouden.

Moe van lachen, camoufleren

Zo slecht gaat het me nu ook weer niet.

Ik ben moe van willen

Moe van bewegen

Moe van niks doen

Moe van denken aan doen en niets doen

Moe van het stof in mijn kot

Waar ik morgen ook nog tijd voor heb

Moe van frisse lucht die ik toch nog inadem

Af en toe

Moe van anderen hun moe zijn

Ik zie moe, hoor moe, ruik, proef en voel moe

Moe zonder schuldige om uit het overvolle schuitje van moe-ers te duwen

Moe zonder troost…

Ik stap graag in een wereld waar niemand ooit was

Op een gelijkgezinde na

Schijnt er een lichtje

Als vanzelf neem ik mijn pen op

Sla ik mijn boekje open en schrijf

Die turquoise pen met koningsblauwe inkt

Een boek kan ook en ik verdwijn

Ik verdwijn in andere tijden

Op andere plaatsen

Van de Highlands naar Griekse mythische bergen,

Woeste zeeën en zachte wolken

Ik ben de held, ik ben de lafaard

De grijze muis die iedereen pas mist wanneer ze er niet is

De felle bloem waarbij iedereen zucht als ze, even, verdwijnt

Ik ben dat dappere kind, die wanhopige vrouw, die woedende man

Ik woon overal en in alle tijden

Doorleefd en alle sprookjes meegemaakt

Alle gruwelen verslaan

Alle engelen bejubeld

Zolang er nog woorden zijn, zo lang er nog woorden zijn… Laat me maar gewoon bestaan.

ps. de woorden moe en troost, die ik in een – apart – cursiefje en column las hebben mij geïnspireerd.

Of weer naar af?

Ik kon lijden dat het elke dag fiks regende

dat de mensen dansten in de plassen

Ik kon lijden dat de zon dan weer scheen

elke lente en iedere zomer

Ik kon de strenge winters lijden

De herfsten onvoorspelbaar stormachtig

De mensen die weer lachten rond de tafel

Niets doen zonder verveling

Ik kon de stoelen onbezorgd voor de huizen lijden

Mensen gezeten met een verfrissend drankje

Ik kon wandelen lijden zonder doel

Slenteren met het hoofd in de wolken

de voeten op lichte veertjes

Ik kon traag fietsen lijden

graag nog trager

Ik kon lijden dat zomer- en winteruur

alles daartussen

nooit nog gemanipuleerd werd

Wat ik het allermeest kon lijden

Wij, de mens, gewoon bestonden

weer in respect en dankbaarheid

voor de natuurelementen

gedijen in wat geschonken wordt

Wij, weer in harmonie met onze omgeving

Of weer naar af?

“De ondergang van m’n paraplu” (zomer 1981)

Op het moment van de foto had ik hem duidelijk nog … maar op een stormachtige dag was zelfs deze paraplu niet bestand tegen mijn eigen naam*, al wist ik dat toen nog niet. Vandaag was ik even buiten en voelde ik me mijn naam helemaal waardig 😉

Mijn paraplu,

tja, waar is hij nu?

Beland in de vuilbak,

want hij ging kapot met één krak.

Dat kwam door de wind,

die was die dag niet goed gezind.

Ik dacht nog : “Anne-Mie, houd die paraplu recht.”

Maar ja, dat had ik beter hárdop gezegd

want er kwam niets meer van terecht.

En maar waaien dat windje

mijn plu kreeg een extra hintje

Opeens, één, twee, drie, hop,

het stof vloog helemaal over m’n plu’s kop.

Alles aan m’n plu-tje hing los,

het werd éne grote klos

Tja, m’n plu is er nu niet meer,

en dat doet m’n hart zo’n zeer.

Maar ja, misschien met wat geld, geluk en wat regen,

kom ik er gauw een nieuwe tegen.

AMK

* als je mijn naam met het accent op de Á uitspreekt, klinkt het als ‘de winden’ in het Grieks (Ánemos = de wind, Ánemie = de winden); een trucje dat ik soms gebruikte wanneer ik mijn naam al te veel moest herhalen bij een hotelboeking of wat anders.

De Argentijn die niet mijn Valentijn was.

Zijn naam is Luis. Ik weet niet of hij nog in België is of niet. Hij is zo een van die weinige mensen die ik slechts een korte periode in mijn leven kende maar nooit vergeet.

Ik kwam hem tegen op zo’n datingssite uit de tijd ik dat nog spannend vond (lang geleden dus). We schreven eerst veel. Ik vond hem (knetter)gek met zijn liefde voor vrijheid, avontuur en fotografie. Hij vond mij ‘a real person’ (zo heeft hij dat letterlijk geschreven).

Uit de dingen ik me nog herinner:

We hadden elkaar ontmoet! Op het nippertje, toen nog té verstrikt in mijn westerse alles-en-nog-wat-afwegende gewoonte. Ik moet nog de was doen en de strijk en morgen ga ik naar mijn ouders, dan kan ik ook al niet. En mijne belastingbrief is nog niet ingevuld…

De dag zelf, dat ik niet zou gaan, stuurde ik een berichtje dat ik toch afkwam. Hij woonde in Antwerpen, ik in Hasselt. Hij zei onmiddellijk ja. Over flexibel gesproken. Hij kwam me afhalen aan het station en we gingen eerst een koffie drinken. Het contact voelde zoals het schrijfcontact, echt en gewoon. Geen opgelaten gevoel, wat het ongewoon verrassend maakte.

We zwierven door Antwerpen, we aten frietjes bij N°1, die hij absoluut wilde betalen. Meer kon hij zich niet permitteren zei hij. Frietjes waren prima.

Hij zag er niet uit, echt niet, met die halflange haren slingerend over en weer zijn hoofd en in zijn gezicht, zijn manier van gaan, tussen snel/lenig/heupwiegend en slenterend/stilstaand, als een kind verwonderd rondkijkend, hoewel hij toen al een hele tijd in Antwerpen woonde. Ik keek ingetogen verwonderd naar hem. Hij die zonder franjes, zonder op- of omkijkend naar deze of andere die hem bekeek, door Antwerpen liep en vertelde zonder dat het één enkele minuut saai werd. Hij trok zoveel foto’s, ook van mij.

Achteraf bleven we nog even schrijven en hij stuurde de foto’s die hij die ene dag van mij gemaakt had. Zo’n korte open vriendschap, geen enkele fysieke aantrekkingskracht van beide kanten maar wel een openheid om te praten over alles en nog wat. Dat zijn zo’n dagen dat ik me voel wie ik ben.

Hij werd zelfs geïnspireerd tot een gedicht, door een foto van mij die ik hem stuurde van een reis, ergens onderweg in Kreta.

Zijn grote hobby’s waren fotografie en schrijven. Zijn grote liefde was een vrouw ergens in Vlaanderen (ik niet), die hij aanbad, een kind bij had maar niet bij kon samenwonen. Zijn afkomst was Argentijns. Zijn grote nachtmerrie was zijn job. Wat ik me ervan herinner was hij helpdeskmedewerker. Cijfers, cijfers, cijfers halen … geen vrijheid, geen eigen inbreng, verstand op nul. In een van zijn laatste berichten schreef hij dat op het matje geroepen was en op een bepaald uur bij de baas moest komen. Hij zat nog door het raam te kijken. Het was mooi weer. Hij stond op en ging naar buiten, aangetrokken door het licht. Toen hij terugkwam lag er een ontslagbrief op zijn tafel. Hij was blij. Time to move on! Hoe optimistisch kan je zijn? Ik hoop voor hem dat hij ergens in deze wereld volop aan het genieten is, met de liefde van zijn leven, in alle vrijheid.

Hem opzoeken doe ik niet. Hij is een fijne frisse herinnering, waar verwachtingen niet bestaan, alleen het NU. Die herinnering komt zo nu en dan bovendrijven.

Pesters en gepesten

Het is geweten door iedereen die (af en toe) televisie kijkt. Het wordt om de zoveel tijd gemeld op de radio en het werd zeker al aangehaald in scholen deze week, alsook tv-zenders voor kinderen. Er bestaat zelfs een uitgebreide*website over.

Ik kan niet anders dan op mijn kindertijd terugkijken. Het is niet zo dat ik constant gepest werd maar het kwam wel regelmatig voor. Wat ís pesten overigens? Is plagen pesten? Voor mij voelden sommige dingen wel aan als pesten.  ‘We lachen er toch maar mee.’ Ken je die uitdrukking? Ik geloof zelfs niet dat het als pesten bedoeld was…. als ik er nú op terugkijk.

Er gebeurden echter ook dingen die wel pestgedrag waren. In die tijd – ik ben op een respectabele leeftijd – vooral in de buurt en soms op school. Ik was sowieso nogal een dromer, een enkeling. Dat is gelukkig niet veranderd. Maar ik was ook snel overprikkeld, zoals dat nu heet ‘hoog-sensitief’. Het zijn allemaal dingen die niet gekend waren bij de meerderheid van de kinderen en volwassenen en dus als ‘moeilijk kind’ bestempeld werden. Uitverkorenen voor de pesters.

Het ergste wat ik in mijn kinderleven meemaakte was een ‘gevangenschap’. Waar ik toen woonde, was er veel plaats aan de achterkant van de rij huizen met een pad naar de tuintjes en daarachter een open plaats – het pleintje – met hier en daar garages rondom. Het was gemakkelijk voor de kinderen; ‘Kom maar weer binnen langs de achterdeur.’

Daar speelden wij dikwijls. Meestal deed ik mee met de hoop of speelde in mijn eentje in de tuin van mijn thuis. Op een dag in de vakantie hadden we een kamp gebouwd waar we gezellig in zaten. Het was bijna middag en er werden kinderen weer binnen geroepen voor het middageten. Toen mijn naam viel, werd ik tegengehouden. Zoals vaak wanneer ik me bedreigd voelde, begon ik te roepen. Het leek of ik er urenlang vast zat, al zal het niet meer dan tien minuten geweest zijn. In de namiddag gingen mijn moeder en ‘de kleintjes’ (ik ben de vijfde van de zes) samen met de buurvrouw en haar ‘kleintjes’ naar Bokrijk. Dat ‘kleintje’ nam mijn hand vast, kneep erin en zei: “Oh, hoe fijn, de hele namiddag naar de speeltuin.” Dat kleintje dat nog geen twee uren geleden mij bijna blauwe plekken bezorgde om me vast te houden in die tent terwijl een van de ‘groteren’ de uitgang bezette. Ik was verbolgen, ik zweeg. Maar gaandeweg die namiddag loste de knoop in mijn maag zich toch weer.

Ik weet wel, nu ik erop terugkijk, dat ook naar de pester best wordt geluisterd. Waarschijnlijk zit daar ook een diepe wonde. Niet dat dat het pesten goedpraat natuurlijk. Maar het kan wel helpen om te begrijpen waarom iemand dat doet, blijkt nodig te hebben. Misschien is het een overlevingsdrang? Een generatiegewoonte? Een noodkreet zelfs!?

Eén mooie herinnering heb ik er wel aan overgehouden. Op datzelfde pleintje stond op een keer een jongen te huilen en te roepen. Hij was niet van de buurt. Blijkbaar iemand die op bezoek was bij een ander kind in de buurt, want hij riep naar die jongen en dat waren helemaal geen vriendelijke woorden. Hij zag er een lieve jongen uit, ook al was hij daar even als een wilde aan het huilen en schreeuwen. Maar hij ging niet achter zijn belager aan. Wat me bezielde weet ik niet, want ik was nogal verlegen (ook dat nog) maar ik ging gewoon bij hem staan. Hij zei iets wat ik nu denk dat ‘dat is echt niet fijn hoor!’ is, terwijl hij zijn snottebellen afveegde. Ik nam hem bij de hand en voelde me fier toen hij kalmer werd. Op die leeftijd benoemt een kind niets, het voelt alleen maar aan. Het kalmeerde me en dat sterkte me op een rare manier. Ik moest immers niet de hele tijd erbij horen en dingen doen die ik niet wilde doen. Dat zouden dan vooral wilde spelletjes zijn. Maar dat zou me hier te veel doen uitweiden.

Elk jaar bij die campagne tegen pesten komt die herinnering weer naar boven. Daar heb ik dit jaar een gedichtje over geschreven.

Conclusie: pesten moet zoveel mogelijk in de kiem gesmoord worden zodat zowel de pester als de gepeste gehoord worden. Een gedragsverandering zit soms in zo’n klein hoekje, dat je maar beter even stil bent en kijkt en luistert wat er écht gaande is, vooraleer het uit de hand loopt, tragisch uit de hand loopt.

STIP IT

Zeepbellen

Zo een reuzebel blazen

wie zal het verbazen

er zomaar in klimmen

zweven op adem van wind in zuchtjes

zalig reizen in hooglage vluchtjes

lachen naar de wereld reizen naar de zon

wist Ikaros niet dat dit kon

zoveel berg, boom en zee

kon iemand nu toch mee

de prachtige bel is jammer te klein

vallen voor het spatten

in de val zoals ratten

daar pas ik toch voor

reizen dan maar per trein

of als een dolfijn over zeven zeeën

gedragen door de feeën

overal kunnen komen

op mooie plaatsen stranden

Ithaka steeds in mijn dromen

om daar na de reis zachtjes te landen

foto: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Banka_mydlana.jpg

Zo dus – winters zijn

Vanmorgen op de kalender las ik deze wijsheid (zie foto hierboven). Het inspireerde me tot schrijven met als woord ‘Zoals’. Wie ben ik deze winter? Word ik telkens weer opnieuw mezelf, van seizoen naar seizoen? Omdat er zoveel over donker en licht, over regen en zon, over alles wat ons beïnvloedt en waar we toch niets aan kunnen doen (toch niet instant), waarom zou ik er dan triest van worden? Dit is een retorische vraag. 🙂

Zoals die kale tak enkele maanden niets draagt,

Ze heeft de hele zomer al gedragen, gevoed en hitte gefilterd.

Zoals het vele donker van vroege avond tot late ochtend,

Alles blijft rustig en stil.

Zo dus. Rusten.

Zoals de kat die buiten woont,

Ze nestelt zich, al dan niet uitgenodigd.

Zoals de winterzon die toch lonkt,

Ze lokt ons naar buiten.

Zoals de vogel die zingt.

Zo dus. Zuurstof, beweging en stralen.

Zoals het kind dat geboren wordt,

Het ademt, slaapt, eet op zijn ritme.

Zoals de mens die nog lacht, de hand uitsteekt,

Opmerkzaam.

Zoals ons winters ritme ons vertelt,

Ademen, bewegen, rusten, eten, drinken.

Zo dus. Ons hele eigen trage winterse zijn.

Anemos

De dag van gisteren.

Omdat het gewoonweg bestaat…

Het was donker

Zoals het seizoen

Donker en eenzaam

Weggefilterd in het schelle licht

Gisteren stopte mijn drievuldigheid

Gisteren werden we drieledigheid

Mie, mezelf en ik

Zonder regen om in te verdrinken

De dag was genoeg en ik stopte

In het donker mag ik ook bestaan

Het duister nestelde zich in mijn armen

En vulde mijn wezen met warmte

Het bestond, ik bestond

Gisteren al vroeg was de dag genoeg