Zo met de anderen in hetzelfde schuitje schreeuwen mijn hersenen “blijf onder mijn vel uit!”
Met lijf en leden dik ingepakt de afstand in die schuit ver genoeg onderhuids kriebelt weer zweet dat niet van mij is
Dat zijn zo van die dagen dat ge u afvraagt, wat ge al weet
De fysieke grenzen overschreden, de luchtballon in mijn kop die koers verliest en de mentale grenzen omver laat wankelen
Het machteloze die vervuiling onderhuids alle contrasten van een dag onder één vel gepropt alles wat mooi was en alles wat lelijk was
Alles tezamen en om dan alleen het mooie te zien de vrouw die me in de bus haar plaats afstond het kind onderweg dat vrolijk ‘hallo m’vouw’ riep de vrijwilliger die koffie bracht en een koekske
en als ge goed kijkt het lelijke want ook dat schreeuwt dat wil dat ge kijkt en ge hoopt dat het een fase is en dat het goed komt – met die opspelende grenzen blijft ge nog wat in de kantlijn want ge weet wel dat het goed komt dat vertrouwt ge, ook dat zit onder uw vel en ook al
hebt ge hele andere dingen meegemaakt wat ge ziet bij anderen en haarscherp aanvoelt dat maakt dat wat niet van u is u wakker toch schudt over de dingen voordat ze al goed gekomen waren zelfs van in uw kinderjaren ge zit daar toch afwezig te zijn, waarom ook niet
en ineens schiet het woord ‘lustrum’ door uw kop maar toch ge wilt dat niet vieren dat ge het weet zelfs met moeite niet vergeet dat anderen zeggen dat ge maar blij moet zijn want ge zijt er nog
ook al weet ge dat zelf wel, ge zit daar afwezig en zwijgend te zijn en dan daar doorheen toch daardoor straalt ineens dat lachske van dat ochtendkind
waar ik vanmorgen “hallo, meisje” aan zei en ik afwezig of niet, weer lach
AMK – 03 december 2022
foto: tussen het monsterlijk begin en het lustrum in
De jeugd
Lucia loopt vóór mij
maar ze is het niet
Ik loop achter haar
Rood haar, nog even groot als toen
Benen beetje x-vorm
en haar manier van lopen …
Waar ben je Lucia?
Rood haar.
Waar is m’n jeugd?
Lucia, πού να ‘σαι τώρα ?
Ik loop je voorbij
Bijna aan de deur
van het station kijk ik om
Zij is het niet.
En ineens lijkt haar haar minder rood
Ze is weg, Lucia
M’n jeugd is weg
Dag Lucia, dag jeugd
We hebben toch mooie tijden gekend toen.
Koffie in het stationscafé.
Wat ik allemaal zie hier
Kleurrijk meisje
Japanse jongen
ze lachen naar elkaar
ze stappen op
Bleke mevrouw, blond
helemaal in het zwart
rookt, drinkt koffie, noteert in haar agenda
Kale man, tegenover haar,
oorbel, lichtblauwe pul, jeans.
Ze praten.
Vijf mannen aan één tafel,
naast mij.
Ze roken,
veel,
vreemde taal,
mooi.
Die mannen hebben donker haar.
Rare man, wat verder af,
Groen hemd en rode pull
hij eet, drinkt koffie,
maakt gebaren naar iemand,
die er niet is
Zwarte man,
kijkt naar mij,
door het raam,
loopt voorbij,
Jamaicaan ?
leuke pull, sportief
Mooi, zijn haar
Dunne halflange dreadlocks
in een staartje
kleurrijke haarband in het pikzwarte haar.
Treinmijmeringen
Lezen, kijken en niet in slaap vallen
Reizen en denken
aan die kleine dingen die gebeurd zijn
die ik vandaag gezien heb
Dat kindje,
dat zo lachte
vooral als mama haar ondersteboven vasthield
iedereen eromheen lachte mee,
gewoon automatisch
krul aan een kant
krul aan de andere kant
van elke mond
een glimlach
een volle lach
een glimp van een lach
iedereen lacht
Die mevrouw in de rolstoel
wacht, met haar boodschappen
vers gekocht op de markt
De bieb,
m’n boeken,
eindelijk ingeleverd
twee weken te laat
boete
is voor de volgende keer
en de wandeling
naar het station
waar ik heel even
Lucia tegen kwam
Het station
in het café
ze hebben me gezien daar
En op het perron
de zon schijnt
op de sporen
de kabels in de lucht
komen samen
net voor de horizon
en die trein die ginder ver rijdt
ziet troebel
alsof het veel te warm is
zo’n bibber in het beeld
weet je wel
Gelukkig is het niet druk
kan ik nog even verder mijmeren
AMK 20004
Loes woonde in een gewone straat, met gewone buren. Ze ging gewoon naar school, zoals alle kinderen in haar buurt.
Loes las al veel woorden uit haar leesboek en ze schreef er nog meer. Achteraan in haar schrift, waar de juf het toch niet zag. Zomaar. De juf liet haar toch met rust. Zo schreef ze alle dingen die in haar hoofd zaten. Zo wilde ze wel eens iets schrijven van de oude pianolerares met haar grote dikke bril en kromme vingers. Die was zo streng. Loes wilde haar laten verdwijnen in haar woorden.
Ze durfde alleen niet van monsters schrijven…
Soms ’s nachts huilde Loes wel eens of riep heel hard tot haar ouders wakker werden. Dat waren nachten waarin ze bezoek kreeg van een monster. Meestal kwam papa haar troosten en bleef tot ze weer rustig werd en sliep. Daarna vergat ze alles. De volgende ochtend gaapte ze wel nog wat maar ze was vooral blij dat het monster weer weg was.
Op een keer bij zo’n rare nacht werd Loes wakker. Ze zweette heel hard. Ze voelde de tranen op haar wangen. Die stroomden en stroomden en ze riep luid: “Mamaaaaa!” en “Neen! Neen! Ga wééég!”
Mama kwam niet. Papa kwam niet. Waarom hoorden ze haar nu niet? Waren ze nog zo druk bezig? Het was toch al midden van de nacht?
Loes ging rechtzitten, helemaal in het hoekje met haar deken over zich heen getrokken, tot net boven haar neus en haar ogen dichtgeknepen. Ze durfde niet kijken. Er was ook veel lawaai! Ze beefde en huilde. En toen werd het een beetje stiller. Eén oog ging voorzichtig open en daar zag ze het: een donkere vlek! Dáár! Net onder het bed. Ze huilde weer en kroop snel helemaal onder het deken tot het weer stiller werd. Ze keek nog een keer en zag weer de vlek. Een beetje groter deze keer. De vlek werd een lelijk bolletje, met haartjes op. Het had ook pootjes. Het lawaai verstilde.
Loes bleef in haar hoekje zitten maar trok het deken niet meer over haar hoofd. Alles aan haar zweette. Haar hart bonkte en haar buik voelde raar. Ze staarde naar het monster. Dat zette één poot op het bed, dan nog een poot. Het was niet gehaast. Zijn kopje hing wat naar beneden. Waarom was het zo traag?
Opeens werd Loesje boos! Papa had gezegd dat monsters niet bestaan. Misschien is hij zelf wel bang. Niemand komt naar boven. En toch zie ik een monster, dáár aan het einde van mijn bed.
Ze kneep haar ogen dicht tot ze pijn deden. Langzaam gingen ze toch terug open. Het lelijke wezentje zat nu al aan de zijkant, op de matras. Zou ik dromen?
Ze wilde niet meer bang zijn en nam een dapper besluit. Ze stak haar hoofd helemaal boven het deken en vroeg aan het monster: “W-w-wie b-b-ben jij?”
“Ik ben Mormeltje.” Hij kraakte toen hij sprak.
“W-waarom ben je h-hier als het nácht is?”
“Ik-ik ik durf me niet laten zien in het licht.”
“Waarom? Ben jij ook bang?” Loes bleef voor alle zekerheid nog in het hoekje zitten. Haar deken was wel al van haar schouders gevallen. Ze had het niet eens gevoeld.
“Ja, ik ben dan heel bang,” zei Mormeltje.
“Waarom dan?”
“Ik ben zo héél erg lelijk! Niemand wil mijn vriendje zijn. Niemand praat met mij.”
Loes keek eens goed naar hem. Hij had gelijk! Hij was echt lelijk. Maar daar kon hij toch zelf niet aan doen? Het monstertje zal zo wel geboren zijn. Zoals haar buurjongen in de klas. Daar was ze ook niet bang van. Dat was een heel aardige jongen én slim.
“Ga je me echt niet pijn doen?”
“Neen, natuurlijk niet. Jij bent zo’n lief meisje.”
“En ook niet opeten?” Het monster begon ineens te lachen. Hij kraakte niet meer. Loes lachte eerst voorzichtig, mee en moest steeds harder lachen.
“Sst. Seffens worden mama en papa wakker. We moeten een beetje zachter zijn.” Ineens zaten ze naast elkaar op de rand van het bed, Loes en het monster.
“Ben je nu niet meer bang van mij?”
“Wel, een heel klein beetje nog. Maar ik vind het ook wel erg dat je met niemand kan spelen.”
“Ik ook, maar ik ken niets anders meer. Met grote mensen kan ik ook niet praten.”
“Met volwassenen bedoel je?”
“Ho maar. Je kent precies veel woorden.”
“Ik ben wel al zes, hé!” Ineens vond ze het veilig. Ze was helemaal niet meer bang. Terwijl ze naar hem lachte, zag ze hem kleiner worden en kleiner en kleiner. Tot hij weer een vlekje op de grond was en langzaam wegsmolt.
“Hé! Waar ga je heen? Je smelt!”
“Neen, nee. Ik moet nu ergens anders heen. Jij bent nu vast wel moe …”
Loes hoorde het niet meer.
Dat moet ik in mijn schriftje schrijven… dacht ze bijna weer in dromenland, bij feeën en kabouters en … Mormeltje. Misschien ging het nu wel op bezoek bij de pianolerares…
AMK (voor Marijke)
rechtenvrije foto uit pexels.com, meruyert gonullu