De onbevangen wereld van gisteren
ik treinde er gewoon heen en reed mee
Om daar te zien
De twee- en de tienjarige
vier handen op één buik
Vanzelf!
De zeven- en bijna zevenjarige
beste vrienden
Vanzelf!
De volwassenen daar was ik ook
hoe kon ik weten nog onderweg
De handen op die buik
de beste vrienden
of volwassenen daartussen
Moest ik kiezen?
En tussen de verjaardagstaart
de pannenkoeken en de pakjes
Koos ik niet
elk moment na elkaar
was ik er gewoon
en daarna weer weg
onderweg naar terug
Met een zomaar gedachte
af en toe weer twee te zijn, zeven of tien
Hoe onbevangen zou de wereld er uitzien?
Reünie
Het was een op een zondag, na een periode die oneindig leek
bij het focussen op dat ene wat we allemaal wilden
Het was gisteren, die zondag, na een periode die korter kon
maar u weet ook hoe dat was de afgelopen twee jaren
Het was op 13 november, van dit jaar nog, de maanden na
de afgelopen twee jaren en de periode er net voor
Nog moeilijk voor hem en mede voor ons, dat appartement,
hoe neemt iemand afscheid zo acuut van wat je laatste thuis was?
Neemt men echt afscheid? Laten we missen voldoende toe?
maar op een keer was het dit jaar, drie september, de grote stam
Dat is deze familie, een grote stam, een stevige stam, genoeg
plaats voor iedereen en dat vierden we toen bijna allen samen
Als onze grootouders het nog eens konden zien, hoe we daar zaten
hoe we dan afspraken hoe hij, die toen zo acuut elders moest wonen
Hoe hij toch weer warm gemaakt kon worden voor zijn stam
zijn generatie, er zijn er nog vier, en hij werd er warm voor
Wat een plezier, wat een vreugde bij iedereen en al zei hij het niet
hij keek er vast en zeker ook naar uit, de dag, die gisteren was
De reünie met zijn broer en zus, die hele weg naar hier afgelegd
enkele nichten/neven en de gedachte aan haar die er niet kon zijn
En toen was het paparazzi tijd en heel veel gebabbel, raken we daar ooit nog uit? 😉
Er zijn teksten te schrijven, ideeën te vereeuwigen maar voor ze zich vormen, roesten ze al
Wanneer ik Eureka voel borrelen, vreugdevol huppel en dan struikel, bijna val op de grond
Terwijl ik me herpak, mijn hoofd wrijf voor weer een volgend idee, om het warm te houden en
vooral binnen en aanwezig, tot ik eindelijk een wit blad heb, zomaar een leeg scherm opgestart,
maar het idee geen woorden vindt, waardoor ik ga patiencen en andere laptopbezigheden
Toch eindelijk die mailbox opruimen, mails beantwoorden of snoozen voor later,
Mailblokkades oplossen, nog wel mijn uitgaande mail, die geen vlieg kwaad doet,
maar niet door mag, alsof het een spel is, zo eentje met een paswoord om mee te mogen doen
Ik heb geen zin in een spelletje noch veel trammelant maken van wat niet lukt,
Maar oplossingen vinden, zijn trammelant-gebonden.
Er komt geen letter in de juiste volgorde op papier, noch scherm en toch, en toch
Schrijf ik nog elke dag, ’t is niet dat niemand het zien mag en toch en toch
Ik zou het kunnen hebben over mijn twee Kunstacademie cursussen, echte academies
Schrijven natuurlijk, en daarover later echt nog wat meer, een oefening of zo,
Zoals ik nu bezig ben, met dingen die ik niet echt graag doe (maar moet), denk ik ineens aan wat een – alleen maar goedbedoelende – kinesist eens zei in de rug-school (die ik al lang niet meer frequenteer), wat ge niet graag doet, moet ge juist veel oefenen, want dan helpt het.
En het heeft geholpen; mijn humeur nog lager dan de temperatuur op Antarctica of de Noordpool in de winter, al zal dat binnen heel kort ook geen verwondering meer wekken
Bij de tweede kunst-academische bezigheid kan ik tokkelen, soms vanbuiten een akkoordje of
al een melodietje tevoorschijn toveren, al is mijn toverkunst niet zo heldhaftig als mijn oefen-wil
Zal ik dan maar de gordijnen dicht doen? Het is toch al donker en misschien hoort mij dan niemand meer
als ik tokkel en probeer heldhaftig mezelf te verbeteren en het is – echt waar – heel meditatief. Het klinkt zo:
UKEEEELÉÉÉÉÉÉLEEEE … ziet u wel? Best dat de gordijnen dicht zijn 😉
De jeugd
Lucia loopt vóór mij
maar ze is het niet
Ik loop achter haar
Rood haar, nog even groot als toen
Benen beetje x-vorm
en haar manier van lopen …
Waar ben je Lucia?
Rood haar.
Waar is m’n jeugd?
Lucia, πού να ‘σαι τώρα ?
Ik loop je voorbij
Bijna aan de deur
van het station kijk ik om
Zij is het niet.
En ineens lijkt haar haar minder rood
Ze is weg, Lucia
M’n jeugd is weg
Dag Lucia, dag jeugd
We hebben toch mooie tijden gekend toen.
Koffie in het stationscafé.
Wat ik allemaal zie hier
Kleurrijk meisje
Japanse jongen
ze lachen naar elkaar
ze stappen op
Bleke mevrouw, blond
helemaal in het zwart
rookt, drinkt koffie, noteert in haar agenda
Kale man, tegenover haar,
oorbel, lichtblauwe pul, jeans.
Ze praten.
Vijf mannen aan één tafel,
naast mij.
Ze roken,
veel,
vreemde taal,
mooi.
Die mannen hebben donker haar.
Rare man, wat verder af,
Groen hemd en rode pull
hij eet, drinkt koffie,
maakt gebaren naar iemand,
die er niet is
Zwarte man,
kijkt naar mij,
door het raam,
loopt voorbij,
Jamaicaan ?
leuke pull, sportief
Mooi, zijn haar
Dunne halflange dreadlocks
in een staartje
kleurrijke haarband in het pikzwarte haar.
Treinmijmeringen
Lezen, kijken en niet in slaap vallen
Reizen en denken
aan die kleine dingen die gebeurd zijn
die ik vandaag gezien heb
Dat kindje,
dat zo lachte
vooral als mama haar ondersteboven vasthield
iedereen eromheen lachte mee,
gewoon automatisch
krul aan een kant
krul aan de andere kant
van elke mond
een glimlach
een volle lach
een glimp van een lach
iedereen lacht
Die mevrouw in de rolstoel
wacht, met haar boodschappen
vers gekocht op de markt
De bieb,
m’n boeken,
eindelijk ingeleverd
twee weken te laat
boete
is voor de volgende keer
en de wandeling
naar het station
waar ik heel even
Lucia tegen kwam
Het station
in het café
ze hebben me gezien daar
En op het perron
de zon schijnt
op de sporen
de kabels in de lucht
komen samen
net voor de horizon
en die trein die ginder ver rijdt
ziet troebel
alsof het veel te warm is
zo’n bibber in het beeld
weet je wel
Gelukkig is het niet druk
kan ik nog even verder mijmeren
AMK 20004
Schrijfgelegenheden komen en gaan. Aan sommige neem ik deel, anderen glijden voorbij. Ik vraag me niet af of dat dan gemiste kansen zijn. “Ik doe wat ik doe en vraag niet waarom…” … (een lijn uit het lied gezongen door Astrid Nijgh, vraag me niet waarom ik nu net daar aan moest denken)
Deze gelegenheid is een ventilerende schrijftechniek voor poëzie. Ze komt van Canxatard haar blog ‘Het geluk van de schrijver’.
Wat is er fijner dan je een keer helemaal laten gaan? Ongebreideld met je zwarte magie een maagdelijk wit blad bekladden! Dat zit in deze uitdaging, die ik heel graag aanging.
Mijn bijdrage:
De pletwals
Wat durf je daar te lachen op mijn scherm met je onzichtbare veiligheidsagenten?
Het maakt niet uit je zal wel zien! hoeveel plezier ik er in schep
Ik voorzie dat je je vergaloppeert in je hoogheidswaanzin en arrogantie in je platwalserij en gemanipuleer in je zelfvoldaanheid
Plat op je vuile bek
De pletwals is besteld!
Ik zit bovenop dat gevaarte! Ik bén het gevaarte! Ik grijns. Gemeen!
jij onderaan die grote betonnen rollen die jou vierendelen, verbrokkelen, vermorzelen en
de overblijvende niets betekenende korrels tot de laatste kruim weggeblazen in een zak dubbel dichtgeknoopt en luchtledig gepompt
in een kermiskraam als schietobject gebruikt de winnaar mag met een vijzel elke kruimel die jij ongetwijfeld probeert te worden platstampen tot vervlogen poeder
jij wordt nooit meer heel als je dat al ooit was er blijft niets meer over van je gemene plannetjes
alles plat bombarderen burgers in de kou zetten en op de vlucht jagen burgers brainwashen en van zichzelf afpakken
Maar eerst, voor je poeder wordt word jij vuile platte hamburger!
(Trump, consoorten en alle metaforen lezen jullie mee?)
Soms blader ik eens door mijn schrijfsels en bekijk ik wat er van gekomen is. Dit gedicht was geschreven in de laatste les van een serie van vier workshops ‘Van gedachten naar gedichten’ bij Wisper. We kregen toen les in een ontbijtzaal van een B&B annex restaurant. Eerst mochten we foto’s maken en daarna iets over onze ervaring schrijven a.d.h.v. die foto’s.
Wat kan je in een spiegel zien Meer dan wat er al is De verwachting nog ongewis Zonder ontbijt in die kamer Dichter bij de nog-een-afzakkertje uren
Rond de tafel, al schrijvend wispelturen Lege kapstok om aan te hangen Dat onverwachte, wat rijmt of niet Ritmeert of vloekt, lang in ’t kort
Van wanhoop tot verlangen Zouden ze meekijken, daarboven zo aan het hangen?
Eindeloze taal, in zesentwintig letters Ja, er is veel meer dan dat wat je in een spiegel ziet
Dat komt ervan, met goede ideeën gaan wandelen en ze loslaten voor ze op papier staan, daar over de brug met volop zon waar ze zo gemakkelijk smelten alsof ze door het geluid worden overstemd en mee verdwijnen in het aanhoudend lawaai van motorgeluid van auto’s en hun banden over de snelweg, die door de in grote getale aanwezigheid van die auto’s zelfs de snelheid van 120 km niet meer kan beloven en het fijn stof mede werkt aan het verstikken van de gedachten en de longen van de wandelaars, enkel omdat er geen luchtzuiveraar hangt aan de binnenkant van de brug en dus wandel ik verder en zoek een bankje in de schaduw van het weelderige zomerse en aangelegde groen, waar het dan met veel geluk zal waaien en de wind de vele groene boombladeren zal doen applaudisseren waarbij dat geluid wedijvert met dat van die auto’s en hun banden, maar zoals de wind soms zo moe wordt dat zelf hij soms forfait geeft en de vervelende kriebel van dat fijn stof in mijn tranende ogen en rode drupneus zit, daar waar dan de gedachten, die zo mooi en vredig waren zich niet meer thuis voelen en die de wind weer verwelkomen om voor even, in de vergetelheid van open ruimtes die in het geheugen vastzitten zoals op een harde schijf een document dat je niet kan openen maar er toch zit en alleen door die wind wordt aangewakkerd en even of langer fladdert en daarom houd ik van de wind want ik bén de wind, alleen niet meer zo soepel noch lenig en vraag ik me af of andere vormen van wind ook kunnen verslijten?
Soms kom je woorden tegen die je wel kent, maar toch weer even opzoekt en dan vloeien er andere woorden uit voort.
Zie de grond opveren hoor de stenen sissen beiden krullen
Bij dat hemelse vocht van het bloed der Goden
In dankbare ontvangst vanaf slechts één druppel mens en onmens negerend die
hier en daar het godenbloed vervloekt, hun dag leek ineens niet meer zo zonder zon
welk dogma legt hij zichzelf op de mens die jammert om niet ingeloste verwachtingen
van zon?
O, ik beschuldig niet hoe vaak zou ik het zelf vervloekt hebben mijn dag is nu naar de …
grijze kleurpotloden
die na de te lange afwezigheid van die ene geur opfleuren die geur van overleving ik laaf me aan die Petrichor
Waarom mogen goden niet bloeden?
AMK
* petrichor betekent de geur van regen op droge grond. Etymologie brengt ons naar het Oud-Grieks: petra betekent steen, ichor komt uit de Mythologie en betekent ‘bloed van de Goden’. Mensen zouden van deze geur houden omdat overleven afhankelijk was van regen. Ik raadpleegde Wikipedia: https://nl.wikipedia.org/wiki/Petrichor.
Ooit schreef ik dit gedicht voor Michali toen ik hem na een concert (in Kreta) een boekje met foto’s gaf van alle concerten van hem die ik in de zomer en winter van dat jaar bijwoonde. Op de foto onderaan zie je hoe dat gedicht eruit zag. Hierna geef ik u een – nogal vrije – vertaling. Het is een van de weinige keren dat ik rechtstreeks in het Grieks schreef en daarna pas vertaalde.
Schrijf me dan toch een lied, dat niet over liefde zal spreken noch die van de verlorene, noch die van verre streken
maar nu ik het toch vraag … dat je van de elementen begint die van de zee of van de rotsen, het kan ook van de wind
de wind, die me naar die geliefde plaatsen bracht neem me daar toch mee, dat het me een lied brengen mag
waarmee ik er dan reizen zal in mijn onrustige kolk en daar verhalen vinden zal, die van joúw eigen volk
om ze te schrijven, de verhalen, om ze te verstaan die van die streek die ik ‘mijn andere thuis‘ be-naam
die van die mensen, om voor mij bekend te houden met mijn wortels altijd hier, maar mijn hart, het jouwe …
Soms struin ik doorheen mijn schrijfsels en zie ik creaties voor wedstrijden waar ik al dan niet aan deelnam. Soms weet ik niet eens meer of ik dat deed. Tot ik een mail krijg waarbij het resultaat bekend gemaakt wordt. Bij deze van Kluger Hans over Chaos, won ik niet. Als inmiddels volleerde ijdeltuit, maak ik er hier plaats voor. Het zal niet de eerste keer zijn dat ik aan chaos woorden geef.
Chaotische leegte
Gedachten dansen door mijn kop ik word nog helemaal zot ze doen denken aan een tante ‘doe dit, doe dat’ ze leek wel een sirene toen nam ik snel de benen
Gedachten dwalen door mijn kop de meest dwingende voorop zelfs die van mediteren oh ja, ik weet het wel ook uw mening is van tel maar …
Gedachten springen in mijn kop ze maken ruzie, ik ontplof natuurlijk zou het er van komen het dringt zich op, het maakt me diets ‘in den beginne was er niets’
Gedachten smelten in mijn kop Eindelijk, ze rotten op vertoeven in die dolle leegte uit dat besmette bestaan zal geen absolute orde ontstaan
Gedachten rusten in mijn kop ik word niet meer zot laat de rest maar draaien ze zitten allemaal op een stoel krijgen spreektijd wanneer ík het voel
Ook als er al eens één verdwijnt komt zo’n ander kreng dat schijnt te denken dat het belangrijk is de stoelendans, daar is ie weer voor alle gedachten en ik controleer
Tot … gedachten met mij aan de haal in weer die kringende spiraal ik terug val in bomvolle leegte en tussen nu en volle maan in de orde chaos gewoon laat bestaan
AMK
Raak gezegd!
Alles over deze wedstrijd en de winnaars vindt u hier. De teksten van de winnaars zijn verzameld in een nummer en kunnen besteld worden.