Schrijfgelegenheden komen en gaan. Aan sommige neem ik deel, anderen glijden voorbij. Ik vraag me niet af of dat dan gemiste kansen zijn. “Ik doe wat ik doe en vraag niet waarom…” … (een lijn uit het lied gezongen door Astrid Nijgh, vraag me niet waarom ik nu net daar aan moest denken)
Deze gelegenheid is een van de leerzame, zoals een schrijftechniek voor poëzie. Ze komt van Canxatard haar blog ‘Het geluk van de schrijver’.
Mijn bijdrage:
De kuddedierentrein
Twee dagen treinen
dat hadden we ervoor over
al was het geen opgave voor ons
de vijf keer per weekse pendelaars
het maakte niet uit, we waren jong
de wereld aan onze voeten, die wereld
gleed snel voorbij en we stapten uit en in
telkens in een andere trein op een ander perron
de gewoonte der dingen
zette zich voort in deze trein
naar Thessaloniki, onze laatste
overstap naar Athene ons avontuur
toen de trein rammelend tot stilstand kwam
stapten we weer uit, zoals iedereen, met rugzak
de grond van de wereld aan en onder onze voeten
bleek geen perron te zijn en we keken toen pas rond
onze trein was ontspoord.
AMK
Soms wordt een mens even gekatapulteerd en schrijft de blote waarheid, denkt geen ge weet dat het rauw klinkt, maar ook dat het dan duidelijk is. Ik had getwijfeld of ik dat zou bloggen en dan doe ik het wel, louter om het gevoel van machteloosheid weer te geven.
En ge denkt dan ‘dat ken ik’ en ge wilt goede raad geven en perspectief want ge weet dat dit overgaat en ge houdt u toch in want ge weet ook hoe zwaar dat op uzelf woog toen gij nog in het begin was, met al die onwetendheid
Ge weet nog hoe boos ge waart en hoe niemand u begreep want
ge werd overdonderd met goede bedoelingen dat ge maar moest aanvaarden
en ge waart zo ongerust en ge kon dat niet kwijt
ge wist dat iedereen iets te zeggen had maar dat ging niet
over u en ge werd nog kwader en ge waart ook veel te moe
En ge denkt dan ‘dat ken ik nog’ als de baxterbuur ventileert
De ervarings-ondeskundigen gaven te veel informatie die ge niet nodig had ze susten u en met goede bedoelingen maar ge waart zo kwaad soms zei ge al Nee! voordat de stem geluidde die te hoog klonk van ongemak
Ge zwijgt maar en ge luistert zelf naar de boze stem van van de baxterbuur ge kunt niet weglopen, ge hangt aan die katheder en zij ook
Ge probeert een onzichtbare muur op te bouwen maar die baxterbuur blijft doorpraten dat niemand haar begrijpt, dat de dokters maar wat zeggen en dat ze niet willen luisteren en zelf doorpraten over hun ervaring en dat ze weten wat ze doen en
ge denkt dat ken ik en ge weet het nu al wel
Maar ge kunt dat niet zeggen, nog niet en haar klachten blijven uit haar mond rollen en dat ze daarom nu zo ziek is en ze kan wel doodgaan en ‘waarom toch? Ik heb het hen toch al zo vaak gezegd!’
Bam! Mijne muur valt in diggelen en ik doe mijn ogen stijf toe en ik denk, ‘niet weer, niet weer, niet weer!’
En ge doet uw ogen weer open en ge denkt dan, heel verwonderd en bijna blij, wat een geluk, niet weer!
Ge weet dat ook bij de baxterbuur het zal afvlakken, niemand is eeuwig boos en zelfs gijzelf had dat op een keer laten varen en stapte uit de verdediging ge verantwoordde u niet meer, voelde aan wat goed voor u was en soms
liet ge het zelfs toe want er was niets anders meer, toelaten dat goede voor u ge wilt er wel van spreken want ge denkt aan Kavafis die over zijn liefde niet eens kon spreken en gij wilt over uw bestaan spreken en meedelen maar er is een ding dat ge nooit meer wilt,
u verantwoorden voor de verhalen in anderen hun kop
En ge ziet dat duidelijk, aan uwe baxterbuur, ge ziet hare man tegen haar in praten en een beetje meewarig lachen ge weet wel, ervarings-ondeskundige hij ziet in haar woede haar onmacht niet maar hij is zeker zelf bang
Ge ziet dat hij haar het zwijgen wil opleggen dan breekt ge bijna toch want ge denkt wat ge net niet zegt als hij haar zegt dat het allemaal zo erg niet is en zij reageert waardoor hare bloeddruk nog groeit want ook daarover heeft ze verteld
ge denkt dan dat ken ik en ook wat ge net niet zegt tegen die man: 'Houd toch uwe mond toe!’
juweeltje van papier
wat je soms hoort en ziet en wat heel menselijk is, onmacht over het oncontroleerbare. En dan denk ik ‘wat ben ik blij dat ik enkeling ben!’ 😉
Dat komt ervan, met goede ideeën gaan wandelen en ze loslaten voor ze op papier staan, daar over de brug met volop zon waar ze zo gemakkelijk smelten alsof ze door het geluid worden overstemd en mee verdwijnen in het aanhoudend lawaai van motorgeluid van auto’s en hun banden over de snelweg, die door de in grote getale aanwezigheid van die auto’s zelfs de snelheid van 120 km niet meer kan beloven en het fijn stof mede werkt aan het verstikken van de gedachten en de longen van de wandelaars, enkel omdat er geen luchtzuiveraar hangt aan de binnenkant van de brug en dus wandel ik verder en zoek een bankje in de schaduw van het weelderige zomerse en aangelegde groen, waar het dan met veel geluk zal waaien en de wind de vele groene boombladeren zal doen applaudisseren waarbij dat geluid wedijvert met dat van die auto’s en hun banden, maar zoals de wind soms zo moe wordt dat zelf hij soms forfait geeft en de vervelende kriebel van dat fijn stof in mijn tranende ogen en rode drupneus zit, daar waar dan de gedachten, die zo mooi en vredig waren zich niet meer thuis voelen en die de wind weer verwelkomen om voor even, in de vergetelheid van open ruimtes die in het geheugen vastzitten zoals op een harde schijf een document dat je niet kan openen maar er toch zit en alleen door die wind wordt aangewakkerd en even of langer fladdert en daarom houd ik van de wind want ik bén de wind, alleen niet meer zo soepel noch lenig en vraag ik me af of andere vormen van wind ook kunnen verslijten?
Soms kom je woorden tegen die je wel kent, maar toch weer even opzoekt en dan vloeien er andere woorden uit voort.
Zie de grond opveren hoor de stenen sissen beiden krullen
Bij dat hemelse vocht van het bloed der Goden
In dankbare ontvangst vanaf slechts één druppel mens en onmens negerend die
hier en daar het godenbloed vervloekt, hun dag leek ineens niet meer zo zonder zon
welk dogma legt hij zichzelf op de mens die jammert om niet ingeloste verwachtingen
van zon?
O, ik beschuldig niet hoe vaak zou ik het zelf vervloekt hebben mijn dag is nu naar de …
grijze kleurpotloden
die na de te lange afwezigheid van die ene geur opfleuren die geur van overleving ik laaf me aan die Petrichor
Waarom mogen goden niet bloeden?
AMK
* petrichor betekent de geur van regen op droge grond. Etymologie brengt ons naar het Oud-Grieks: petra betekent steen, ichor komt uit de Mythologie en betekent ‘bloed van de Goden’. Mensen zouden van deze geur houden omdat overleven afhankelijk was van regen. Ik raadpleegde Wikipedia: https://nl.wikipedia.org/wiki/Petrichor.
Ooit schreef ik dit gedicht voor Michali toen ik hem na een concert (in Kreta) een boekje met foto’s gaf van alle concerten van hem die ik in de zomer en winter van dat jaar bijwoonde. Op de foto onderaan zie je hoe dat gedicht eruit zag. Hierna geef ik u een – nogal vrije – vertaling. Het is een van de weinige keren dat ik rechtstreeks in het Grieks schreef en daarna pas vertaalde.
Schrijf me dan toch een lied, dat niet over liefde zal spreken noch die van de verlorene, noch die van verre streken
maar nu ik het toch vraag … dat je van de elementen begint die van de zee of van de rotsen, het kan ook van de wind
de wind, die me naar die geliefde plaatsen bracht neem me daar toch mee, dat het me een lied brengen mag
waarmee ik er dan reizen zal in mijn onrustige kolk en daar verhalen vinden zal, die van joúw eigen volk
om ze te schrijven, de verhalen, om ze te verstaan die van die streek die ik ‘mijn andere thuis‘ be-naam
die van die mensen, om voor mij bekend te houden met mijn wortels altijd hier, maar mijn hart, het jouwe …
Loes woonde in een gewone straat, met gewone buren. Ze ging gewoon naar school, zoals alle kinderen in haar buurt.
Loes las al veel woorden uit haar leesboek en ze schreef er nog meer. Achteraan in haar schrift, waar de juf het toch niet zag. Zomaar. De juf liet haar toch met rust. Zo schreef ze alle dingen die in haar hoofd zaten. Zo wilde ze wel eens iets schrijven van de oude pianolerares met haar grote dikke bril en kromme vingers. Die was zo streng. Loes wilde haar laten verdwijnen in haar woorden.
Ze durfde alleen niet van monsters schrijven…
Soms ’s nachts huilde Loes wel eens of riep heel hard tot haar ouders wakker werden. Dat waren nachten waarin ze bezoek kreeg van een monster. Meestal kwam papa haar troosten en bleef tot ze weer rustig werd en sliep. Daarna vergat ze alles. De volgende ochtend gaapte ze wel nog wat maar ze was vooral blij dat het monster weer weg was.
Op een keer bij zo’n rare nacht werd Loes wakker. Ze zweette heel hard. Ze voelde de tranen op haar wangen. Die stroomden en stroomden en ze riep luid: “Mamaaaaa!” en “Neen! Neen! Ga wééég!”
Mama kwam niet. Papa kwam niet. Waarom hoorden ze haar nu niet? Waren ze nog zo druk bezig? Het was toch al midden van de nacht?
Loes ging rechtzitten, helemaal in het hoekje met haar deken over zich heen getrokken, tot net boven haar neus en haar ogen dichtgeknepen. Ze durfde niet kijken. Er was ook veel lawaai! Ze beefde en huilde. En toen werd het een beetje stiller. Eén oog ging voorzichtig open en daar zag ze het: een donkere vlek! Dáár! Net onder het bed. Ze huilde weer en kroop snel helemaal onder het deken tot het weer stiller werd. Ze keek nog een keer en zag weer de vlek. Een beetje groter deze keer. De vlek werd een lelijk bolletje, met haartjes op. Het had ook pootjes. Het lawaai verstilde.
Loes bleef in haar hoekje zitten maar trok het deken niet meer over haar hoofd. Alles aan haar zweette. Haar hart bonkte en haar buik voelde raar. Ze staarde naar het monster. Dat zette één poot op het bed, dan nog een poot. Het was niet gehaast. Zijn kopje hing wat naar beneden. Waarom was het zo traag?
Opeens werd Loesje boos! Papa had gezegd dat monsters niet bestaan. Misschien is hij zelf wel bang. Niemand komt naar boven. En toch zie ik een monster, dáár aan het einde van mijn bed.
Ze kneep haar ogen dicht tot ze pijn deden. Langzaam gingen ze toch terug open. Het lelijke wezentje zat nu al aan de zijkant, op de matras. Zou ik dromen?
Ze wilde niet meer bang zijn en nam een dapper besluit. Ze stak haar hoofd helemaal boven het deken en vroeg aan het monster: “W-w-wie b-b-ben jij?”
“Ik ben Mormeltje.” Hij kraakte toen hij sprak.
“W-waarom ben je h-hier als het nácht is?”
“Ik-ik ik durf me niet laten zien in het licht.”
“Waarom? Ben jij ook bang?” Loes bleef voor alle zekerheid nog in het hoekje zitten. Haar deken was wel al van haar schouders gevallen. Ze had het niet eens gevoeld.
“Ja, ik ben dan heel bang,” zei Mormeltje.
“Waarom dan?”
“Ik ben zo héél erg lelijk! Niemand wil mijn vriendje zijn. Niemand praat met mij.”
Loes keek eens goed naar hem. Hij had gelijk! Hij was echt lelijk. Maar daar kon hij toch zelf niet aan doen? Het monstertje zal zo wel geboren zijn. Zoals haar buurjongen in de klas. Daar was ze ook niet bang van. Dat was een heel aardige jongen én slim.
“Ga je me echt niet pijn doen?”
“Neen, natuurlijk niet. Jij bent zo’n lief meisje.”
“En ook niet opeten?” Het monster begon ineens te lachen. Hij kraakte niet meer. Loes lachte eerst voorzichtig, mee en moest steeds harder lachen.
“Sst. Seffens worden mama en papa wakker. We moeten een beetje zachter zijn.” Ineens zaten ze naast elkaar op de rand van het bed, Loes en het monster.
“Ben je nu niet meer bang van mij?”
“Wel, een heel klein beetje nog. Maar ik vind het ook wel erg dat je met niemand kan spelen.”
“Ik ook, maar ik ken niets anders meer. Met grote mensen kan ik ook niet praten.”
“Met volwassenen bedoel je?”
“Ho maar. Je kent precies veel woorden.”
“Ik ben wel al zes, hé!” Ineens vond ze het veilig. Ze was helemaal niet meer bang. Terwijl ze naar hem lachte, zag ze hem kleiner worden en kleiner en kleiner. Tot hij weer een vlekje op de grond was en langzaam wegsmolt.
“Hé! Waar ga je heen? Je smelt!”
“Neen, nee. Ik moet nu ergens anders heen. Jij bent nu vast wel moe …”
Loes hoorde het niet meer.
Dat moet ik in mijn schriftje schrijven… dacht ze bijna weer in dromenland, bij feeën en kabouters en … Mormeltje. Misschien ging het nu wel op bezoek bij de pianolerares…
AMK (voor Marijke)
rechtenvrije foto uit pexels.com, meruyert gonullu
Soms struin ik doorheen mijn schrijfsels en zie ik creaties voor wedstrijden waar ik al dan niet aan deelnam. Soms weet ik niet eens meer of ik dat deed. Tot ik een mail krijg waarbij het resultaat bekend gemaakt wordt. Bij deze van Kluger Hans over Chaos, won ik niet. Als inmiddels volleerde ijdeltuit, maak ik er hier plaats voor. Het zal niet de eerste keer zijn dat ik aan chaos woorden geef.
Chaotische leegte
Gedachten dansen door mijn kop ik word nog helemaal zot ze doen denken aan een tante ‘doe dit, doe dat’ ze leek wel een sirene toen nam ik snel de benen
Gedachten dwalen door mijn kop de meest dwingende voorop zelfs die van mediteren oh ja, ik weet het wel ook uw mening is van tel maar …
Gedachten springen in mijn kop ze maken ruzie, ik ontplof natuurlijk zou het er van komen het dringt zich op, het maakt me diets ‘in den beginne was er niets’
Gedachten smelten in mijn kop Eindelijk, ze rotten op vertoeven in die dolle leegte uit dat besmette bestaan zal geen absolute orde ontstaan
Gedachten rusten in mijn kop ik word niet meer zot laat de rest maar draaien ze zitten allemaal op een stoel krijgen spreektijd wanneer ík het voel
Ook als er al eens één verdwijnt komt zo’n ander kreng dat schijnt te denken dat het belangrijk is de stoelendans, daar is ie weer voor alle gedachten en ik controleer
Tot … gedachten met mij aan de haal in weer die kringende spiraal ik terug val in bomvolle leegte en tussen nu en volle maan in de orde chaos gewoon laat bestaan
AMK
Raak gezegd!
Alles over deze wedstrijd en de winnaars vindt u hier. De teksten van de winnaars zijn verzameld in een nummer en kunnen besteld worden.
Schrijfgelegenheden komen en gaan. Aan sommige neem ik deel, andere glijden voorbij. Ik vraag me niet af of dat dan gemiste kansen zijn. “Ik doe wat ik doe en vraag niet waarom…” … (een lijn uit het lied gezongen door Astrid Nijgh, vraag me niet waarom ik nu net daar aan moest denken) Deze gelegenheid is een van de leerzame, zoals een schrijftechniek voor poëzie. Ze komt van Canxatard in haar blog ‘Het geluk van de schrijver’. Dit is haar vierde poëzietechniek die ze deelt. Dit is mijn deelname:
De reis in overgave
Toen alles van me afviel, daar op dat perron toen de vertraging me stil zette en het niet anders kon
Die ene focus, de reis, de route, elk nu moment voor mij uit gestadig gleed het landschap mij onbekend
Bekende kriebel van verwachting en warme gloed daar treinde ik, de nabije toekomst achter me, tegemoet
Schrijf een kort gedicht waarin je een logisch begrip omkeert.
Voorbeelden:
Daar is de lente, daar is de zon
Bijna, maar ik denk dat ze weldra zal komen.
De fallus impudicus staat al in bloei
En de blaadjes krijgen bomen.
Jan De Wilde
Kan ik vandaag bij jou misschien
Omdat het gisteren niet kon
Want de deuren hadden geen huis
Kunnen deuren überhaupt
op zich stand houden zonder
verval?
Zo zijn er overal oude poorten waaronder
bedisseld
gedronken om een lach
verraad gepleegd
geblowd
geneukt
geleefd wordt zonder thuis, een tandenborstel in
een aarden vuist naast het aanrecht van de nacht
Dus, als ik morgen bij jou misschien
draai dan alle deuren op slot.
Chris Horemans
Tip: Bedenk een aantal dingen die gebeuren op een bepaald moment van de dag, in een bepaalde tijd van het jaar, in gewone of ongewone omstandigheden, en keer het gebeuren om.
Schrijven gaat niet zomaar. Er vloeit vaak (veel) meer inkt dan publiceerbare resultaten en dan nog …
balancerend op de rand van de trechter de woorden en zinnen tollen er rond trekken me de diepte in; mee in die lage bloeddruk-erige flauwtes van ongezouten onwaarheden of … fictieve waarheden die ook hun zout nodig hebben of als er dan één woord één zin één idee uit springt, denk ik dat grijp ik en los niet en ik denk dat is hét! de v o n d s t