Dit is een van de mooiste gedichten (zie later in dit bericht) dat ook wel eens in meditaties gebruikt wordt. Ik kwam het al jaren geleden tegen en onlangs (nog dit jaar 2023) nog een keer en zocht ik wat meer hierover op.
Oriah Mountain Dreamer is geen Indiaanse schrijver, zoals de naam doet vermoeden, maar een Canadese schrijfster en afkomstig uit Ontario. Ze is een echte liefhebster van woorden, symbolen en verhalen die onze ziel en geest opheffen. Woorden en beelden die ons hart open maken, en manieren aanreiken om patronen te herkennen en zingeving aan ons leven te geven.
Over zichzelf zegt ze: “Ik ben een Canadese vrouw, en geen ‘Indian Elder / Indiaans stamhoofd’ zoals soms geschreven wordt. Ik ben niet oud of wijs genoeg om te claimen ‘ouderling’ of ‘stamhoofd’ van welke groep mensen dan ook te zijn.”
Waarover gaat het? Het gedicht is een uitnodiging aan ieder van ons om je ware zelf te voorschijn te laten komen, om te herinneren wie je werkelijk bent of kunt zijn. Het is een uitnodiging om jezelf te laten zien, zonder alle toneelstukjes, façades en verhalen om je onzekerheden, verdriet en pijn te verbergen. …
Het interesseert me niet wat voor werk je doet.
Ik wil weten waar je naar snakt en of je durft te dromen
om de diepste verlangens van je hart te ontmoeten.
Het interesseert me niet hoe oud je bent.
Ik wil weten of je het risico wilt nemen
om er als een dwaas uit te zien
voor Liefde, voor je droom,
voor het avontuur om het Leven te leven.
Het interesseert me niet welke planeten er
tegenover je maan staan.
Ik wil weten of je de kern van je eigen verdriet hebt aangeraakt.
Of je bent geopend door de teleurstellingen van het leven,
of dat je verwelkt en afgesloten bent geworden
uit angst voor nog meer pijn.
Ik wil weten of je in stilte kunt Zijn met Pijn,
van mij of van jou zelf,
zonder hem te veranderen om de pijn te verbergen,
of te verzachten, of op te lossen (fixen).
Ik wil weten
of je kunt Zijn (zitten) met Vreugde
van mij of van jou zelf,
of je kan dansen met wildheid
en je kan laten vullen met extase ,
van je vingertoppen tot aan je tenen,
zonder ons te waarschuwen,
om voorzichtig te zijn,
om realistisch te zijn,
om te denken aan de beperkingen
van het mens-zijn.
Het interesseert me niet of het verhaal wat je me vertelt
waar is.
Ik wil weten of je een ander teleur kunt stellen
om trouw aan jezelf te zijn.
Of je de beschuldiging van verraad kunt verdragen,
en niet je eigen ziel verraadt, of je ontrouw kunt zijn,
en daarom betrouwbaar.
Ik wil weten of je Schoonheid kunt herkennen,
ook als die er niet mooi uit ziet iedere dag.
En of je je eigen leven kunt “voeden”
vanuit diens aanwezigheid.
Ik wil weten of je kunt leven met mislukkingen,
de jouwe en de mijne,
en dan nog steeds aan de rand van het meer kunt staan
en “Ja” schreeuwen naar de zilveren gloed van de volle maan.
Het interesseert me niet om te weten waar je woont,
of hoeveel geld je hebt.
Ik wil weten of je overeind kunt komen na een nacht van rouw en wanhoop,
vermoeid en tot op het bot gekrenkt, en doen wat er gedaan moet worden
om de kinderen te voeden.
Het interesseert me niet wie je kent,
of hoe je hier terecht bent gekomen.
Ik wil weten of je zult staan met mij
in het midden van het vuur en niet terug schrikt.
Het interesseert me niet waar of wat of bij wie
je hebt gestudeerd.
Ik wil weten wat je overeind houdt van binnen uit,
als al het andere wegvalt.
Ik wil weten of je alleen kunt zijn met jezelf,
en of je werkelijk houdt van je eigen gezelschap
in de lege momenten.
Er bestaan nogal wat bewerkingen van en als u een beetje zoekt, vindt u wel een versie die u aanspreekt.
Bijvoorbeeld, geïnspireerd door een gedicht en daar verder op geschreven**
In het hoge gras
zie ik de sporen
van een ander
Die stap voor stap
het spoor van weer
een ander ging Johanna Pas
Ik stap erin
ga achteruit tot daar
waar elk spoor begon
en aan ’t begin
sta ‘k even stil tot
ik stap voor stap
ander hoog gras plat trap
AMK
*retorische vraag… ** uit ‘Kringen op het tafelblad’ – Een poëzietarot, Johanna Pas, gevonden in een*blog die ik volg. Inmiddels heb ik de kaarten in huis en ze zijn heel inspirerend tot schrijven.
Hoe ik de ramen aan de voorkant properde en nu de evenwijdige onbeschreven strepen zie – zou ik een raamgedicht? – of
Hoe te-doen lijstjes me gemaakt vrolijk, schel roepen de woorden op het schrijflijstje in hun fraaie vuist lachen – pak me dan als je kan – of
Hoe er overal alles voor iedereen te doen is ik ben al genoeg met Mie, mezelf en ik voor altijd – samen is toch alles toffer? – of
Hoe ik bij het Offerfeest vandaag denk aan dat kind – ja laat ik u dat vertellen – over dat kind dat weer goed las en het woord God las hoe ze dan verwonderd opkeek en vroeg ‘wat is dat?’ hoe ik toen zei dat mensen in de kerk bidden tot God zoals mensen in de moskee bidden tot Allah en hoe ze toen als Eureka opkeek en – zoals alleen een kind dat kan – alwetend en zelfzeker zei: “Dat zijn toch die twee die altijd ruzie maken!” …
Ze las haar rijtje af, ook meerlettergrepige woorden.
Schrijfgelegenheden komen en gaan. Ik was er vorig jaar al mee begonnen en bij tijd en wijle zal ik er dit jaar mee verder gaan. Wedstrijden, uitdagingen, oefeningen, … al poot ik hier niet alles meer neer. Ik beschouw het eerder als werkmateriaal. In geval van …
Deze uitnodiging komt uit ‘Het geluk van de schrijver’, Eenvoudige poëzietechnieken 10.
het zachtgekookt eitje, de kop dampende koffie u weet wel hoe dat gaat, de kleine dingen m’n niet-beestige yoghurt met bio-fruit en dat blokje chocolade
de dag van gisteren nog nazingend ik zou er ’s avonds over schrijven dat was het plan al vanaf dat moment de start van het wasmachineweekend en weekendkrant, waarom tweewekelijks? ik vraag het met niet meer af
aan de ontbijt-opgeruimde tafel krant opzij gelegd ukelele al eens stemmen nog even tokkelen plukken en strummen in verschillende ritmes zingen smeren zonder olie wat straks getoond zal worden
iemand met engelengeduld die ons feilloos aanvoelt en verder optilt – de weg te gaan lonkt naar mij – die zelfs in het samenspel alle toonaarden van elk van ons, harmonieus samenhoudt
mijn pas gestart trainend oor slaat soms wat over, nu nog wel maar we spelen gewoon verder
een Grieks en een Engels Joods liedje we hebben een toemaatje ‘Bella ciao’ we hebben zelfs publiek dat meezingt
’s avonds scrollend hier en daar “waar zal ik ook zángles volgen?” die wereldse samenhorigheid zoveel talen, zoveel stemmen
ze zinderen nog na ebben zacht de nacht in en – zoals dat heet – moe maar voldaan denkend aan morgen het zachtgekookt eitje en de kop dampende koffie en het zondagse blokje chocolade
Er zal nog veel water door de zee moeten vloeien vooraleer vrouwen als gelijkwaardig in hun bestaan, beschouwd worden. Wat hun keuze in het leven ook is…
Een ontdekking, sinds het*concert dat ik bijwoonde vorige vrijdag, is de dichter Nikos Kavvadias. Zoals elke (her)ontdekking volgt er een tocht die als een reis naar een onbestemming leidt en nieuwsgierigheid voedt.
Vandaag, op 8 maart, deel ik dit gedicht van hem:
Vrouw
Dans jij je dans dan op de vinnen van de haaien.
Laat je tong spelen op de wind, vervolg je gang.
Je bent als Judith hier, Maria daar te paaien.
De moeraal worstelt op de rotsen met de slang.
Van jongs af had ik haast, maar nu ga 'k ervantussen.
Een schoorsteen dreef mijn leven voort, ik hoor de fluit.
Je zachte hand door 't schaarse haar kon mij wel sussen
voor éen moment, maar nu is 't met haar werking uit.
Gebroken het halfuursglas en de sloependreggen.
Jong, haal de stelling in, we gaan naar volle zee.
Door welke schoftenstreek gaan wij het loodje leggen,
zijn wij voor kinderen en grijsaards de risee?
Fel opgemaakt. In 't rosse schijnsel van het steegje.
Met wier en uitslag overdekt, amfibisch Lot.
Zonder gareel en teugels, zonder zadel steeg je
voor de eerste keer te paard in Altamira's grot.
De meeuw duikt neer om 't oog van de dolfijn te pikken.
Wat kijk je me aan? 'k Zal zeggen waar je mij van kent.
Die nacht toen ik, op 't zand, jou op je rug kon wrikken
legden ze voor de Piramiden 't fundament.
Wij liepen samen over de Chinese Muur.
In Ur zag jij hoe zeelui de eerste kielen klonken.
Jij zalfde diepe Macedonische kwetsuur
toen bij de Granicus de naakte zwaarden blonken.
Groene kleur. Schuim, morellerood en blauwig paars.
Jij, op een gouden gordel na, een naakte schone.
Tussen je ogen liepen zeven evenaars
in de oude werkplaats van Giorgione.
Als had ik hem vervloekt wil de rivier mij weren.
Wat heb 'k misdaan dat je mij wekt voor dageraad?
De laatste havennacht laat ik me niet versjteren.
Zondaar is hij die niets geniet en niets begaat.
Fel opgemaakt. In 't zieke licht van stegen.
Op goud ben je belust. Graai, tel en schraap bijeen!
Jaren hier bij jou blijven zonder te bewegen
tot je geworden bent mijn Lot, mijn Dood, mijn Steen.
Indische Oceaan 1951
Nikos Kavvadias
Uit de bundel “Maraboe en andere gedichten”. Uit het Grieks vertaald door Hero Hokwerda. Uitgegeven door Het Griekse Eiland (bestaat intussen niet meer), december 1988. Ik zie dat ik het negenhonderd vierentwintigste exemplaar van de eerste vertaalde uitgave heb (1000 exemplaren).
Voor andere vertalingen bestaan er verschillende websites, voornamelijk naar het Engels. De Nederlandse vertaling vind ik zelf niet helemaal kloppen, maar ik ben dit gedicht nog verder aan het ontdekken. De tijdsgeest speelt misschien ook een rol. Metaforen zijn zeker aanwezig! Het gedicht gaat alvast doorheen de tijd en ruimte (op Aarde). Bij wijze van voorbeeld: ‘uitslag’ in de veertiende regel, zou ik rododendron zetten (origineel: ροδάνθη).
Dit gedicht werd ook op muziek gezet door Thanos Mikroutsikos (Θάνος Μικρούτσικος). Deze*muzikale*versie vind ik een mooie, naast verschillende versies van Giorgos Dalaras.
Wie graag wat leest over Nikos Kavvadias, zie HIER.
Noot: Nikos Kavvadias was een zeeman. Intussen ben ik een boek van hem aan het lezen. Hij was niet zomaar een rauwe zeebon. Al zal ik mijn mooi gekleurde bril misschien eens moeten oppoetsen… 😉 De nogal talrijke websites die me kunnen helpen, heb ik vastgepind. Ik ben althans aan het exploreren. Niet alleen met dit gedicht.