Nieuwjaarsbrief

niet noodzakelijk in clichés... maar geven en nemen is er nog steeds bij daarom niet altijd tastbaar

Lieve en andere lezers,

Op de eerste dag van het nieuwe jaar, heb ik mijn brief nog steeds niet klaar

Wegens mezelf opgelegde verwachtingen
heb ik overwogen, gewikt en dan besloten

Ik doe het niet, nog een lijstje
nog een wens
vrees niet   ook geen niet-wens

tranen worden toch gegoten
angst wordt toch gebibberd
dansen doen we, lopen en stilstaan

we blijven onderweg
daar wil ik toch bestaan

Ik doe het niet, een belofte van
mijn best doen
vrees niet   ook geen on-best
(en al zeker geen asbest)

zwaktes zullen toch opduiken
boosheid zal toch borrelen
vloeken doen we, lachen en doorgaan

we blijven onderweg
in veerkracht, liefst die van onszelf
daar wil ik toch bestaan

Ik doe het niet, elke terugblik
vrees niet   ook niet vooruit

de opsomming van goed en kwaad
van ziek en gezond, iets dat echt bestaat
doe mijn eigen ding en laat weer gaan

We blijven onderweg
met een nieuw inzicht
daar wil ik toch bestaan

Voor wie het toch graag hoort of leest

Gelukkig Nieuwjaar!
Een beetje Magie!
En veel, heel veel gewoonweg contentement!

Anne-Mie

ps. ik zette dit jaar een echte kerstboom en die heeft, binnen heel kort, een nieuwe bestemming.
Misschien ben ik dan toch traditioneler dan ik zelf dacht 😉

de ene helpt de andere voorlezen

Vertraging

Omdat van het persoonlijke jaaroverzicht (nog) niet veel terecht komt, een monoloog (denk ik).

Ik passeerde aan de kassa en de vriendelijke dame vroeg me of ik al klaar was voor Kerstmis. Misschien had ze zo haar twijfels bij het scannen van mijn aankopen. Gene vette! Twee broodjes, een pak soep en nog enkele appels want die waren er voor 1 euro de kilo. Oh, en wat spinazie, dat is nog goed voor bij de glutenvrije pasta die dringend op moet en de champignons, waar ik eergisteren zin in had en die nog goed blijven tot over- overmorgen. Achter mij een aangroeiende rij van boodschappenkarren en hun tijdelijke gebruikers… snel, doe verder, overspoelde mijn wezen..

De vertraging is ver zoek. Al zal er een en andere webshop mij ervan proberen te overtuigen dat het nu de tijd van stilte is, na alle voorbereidingen voor de warmste gezelligste tijd van het jaar. Het liefst in hun kledij! Ze menen het! Elke dag krijg ik meer korting, speciaal voor de trouwe klant! Of een trapje hoger in hun trouwheidsbeleid. Meer korting op een duurder verblijf in een bruisende stad. Blijkbaar verdien ik het.

De kriebel in mijzelf, de ragebol van aan elkaar klevende gedachten, de heb-ik-nu-alles kriebel, roept om nog meer aandacht.
De volgende kriebel die ongeduldig wacht tot deze weg is; wat-na-de-kerst? Plannen genoeg, te over zelfs, maar hoe zit het met die vertraging?

Mag het nog donker zijn in de winter? Stilstaan bij dat wat ik (nog) ben, weer kan zijn en nieuw kan zijn? Ik probeerde het meermaals, dat vertragen; het lukt wel eens. Lang genoeg? Kijk ik vanuit de schaduw van mijn eigen licht hoe iemand anders het invult? Alsof het niet van mij was. Of ben ik geduldig genoeg om de vertraging eerst te voelen en dan te kijken?

Ik sta weer op. Er zijn nog onbetreden paden, ook na al die jaren van goede raad en nog betere bedoelingen en waarschijnlijk ben ik nu ondankbaar. Toch, dat onbetreden pad lonkt en ik betreed het zelf. Ik schud af onderweg, in dank voor het gezelschap, ik pak iets anders weer op. Onbekend komt op me af. Niet-af-te-schudden vergezelt me als een veilig maatje. Onderweg ontdek ik wel.

Misschien is het verwerpelijk voor deze en andere. Ik doe het toch, en word lichter en frivoler. Want als er één persoon is die ik mis, soms nog tegenkom en zie dat het goed is, die ik dan probeer met haken en ogen aan elkaar te houden en ik stap verder, met oppakken en afschudden en dank u zeggen, op pad naar die ene die ik nog steeds een beetje mis, verder te vinden en te weten, we zien elkaar weer, telkens een beetje meer, Mie, mezelf en ik.  

“Dat is dan € 10,11  mevrouw.” Ik betaalde en dacht, wat een snelle ragebol ontrafeld zomaar aan de kassa.

“Prettige Kerstdagen voor u,” “Dank u, ook zo voor u.”

Ik herinner me vooral alle momenten dat ik NU was en ben en zal zijn. Misschien is dat vertraging?

De Warmste Week

Te koop met startprijs € 250,-. Voor de Warmste Week. Deze santouri.

Lees hieronder wat ik er voor DWW voor schreef:

Deze santouri zoekt een nieuwe plek. Wat zou het mooi zijn om hiervoor een goede prijs te krijgen van een zilveren iemand met een gouden hart. De santouri zelf kan dan zelfs misschien van dat gouden hart een kansarm muzikaal talent verblijden?

U kan bieden via de reacties. Andere commentaren die met dit aanbod niets te maken hebben, hoe interessant ook, zal ik voor deze ene keer niet toelaten.
Hiervoor mijn excuses alvast.

Desalniettemin, als u iemand kent, die iemand kent, die deze santouri een echte nieuwe thuis kan geven, geef het door aub!

Een beetje met het beeld van mijn moeder in mijn herinnering die zich voor kansarmen inzette.

Voor wie licht wil

Als bijna alles over Kerst, eindejaar, warmte en vertraging, licht en donker, stilstand en gezelligheid, saamhorigheid en solitude opzoeken geschreven is, wil ik me nog even onderdompelen in mijn eigen jaaroverzicht. Hopelijk nog voor de lente 😉

Intussen is dit verhaal een hartverwarmer: De*eerste*schooldag.

Overigens gaat de schrijfdiscipline nog dagelijks door. Wie weet, binnenkort weer iets in mijn Woordenrijk.

Hoe u het ook viert, als u het viert, wat u ook doet of laat, en dat zo ook voor het komende jaar, ik wens u Uzelf zijn toe. Ik wens ons allen de ruimte te vinden waar dat kan!

Kerstboom met M’s cadeautjes 🙂

Afwezig graag

Hoe meer ik hier kom, hoe afweziger ik wil zijn

Zo met de anderen in hetzelfde schuitje
schreeuwen mijn hersenen
“blijf onder mijn vel uit!”

Met lijf en leden dik ingepakt
de afstand in die schuit ver genoeg
onderhuids kriebelt weer
zweet dat niet van mij is

Dat zijn zo van die dagen dat ge u afvraagt, wat ge al weet

De fysieke grenzen overschreden, de luchtballon in mijn kop
die koers verliest en de mentale grenzen omver laat wankelen

Het machteloze  die vervuiling onderhuids
alle contrasten van een dag onder één vel gepropt
alles wat mooi was en alles wat lelijk was

Alles tezamen    en om dan alleen het mooie te zien
de vrouw die me in de bus haar plaats afstond
het kind onderweg dat vrolijk ‘hallo m’vouw’ riep
de vrijwilliger die koffie bracht en een koekske

en als ge goed kijkt  het lelijke want ook dat schreeuwt
dat wil dat ge kijkt en ge hoopt dat het een fase is en dat
het goed komt – met die opspelende grenzen blijft ge nog wat
in de kantlijn want ge weet wel dat het goed komt
dat vertrouwt ge, ook dat zit onder uw vel en ook al

hebt ge hele andere dingen meegemaakt   wat ge ziet bij anderen
en haarscherp aanvoelt   dat maakt dat wat niet van u is
u wakker toch schudt  over de dingen voordat ze al goed gekomen waren
zelfs van in uw kinderjaren ge zit daar toch afwezig te zijn, waarom ook niet

en ineens schiet het woord ‘lustrum’ door uw kop maar toch
ge wilt dat niet vieren  dat ge het weet zelfs met moeite niet vergeet
dat anderen zeggen dat ge maar blij moet zijn want ge zijt er nog

ook al weet ge dat zelf wel, ge zit daar afwezig en zwijgend te zijn en dan
daar doorheen toch daardoor straalt ineens dat lachske van dat ochtendkind

waar ik vanmorgen “hallo, meisje” aan zei en ik afwezig of niet, weer lach

AMK – 03 december 2022

foto: tussen het monsterlijk begin en het lustrum in

Scannen om vijf voor twaalf

Yes, you scan. ‘Yes, you scan!” zag ik vaak in de tram. Scan je bus/tramkaart.

Yes, they scan. Dat heb ik vandaag weer gevoeld. Van boven tot onder, van binnen tot buiten en in nog allerhande richtingen, in het ziekenhuis, met PET. Vooraf eten en, behalve water, drinken is verboden. Rustend afwachten op een bed is geboden.

Vijf voor twaalf ver voorbij en grommend van de honger, snakkend naar warme sterke koffie, zak ik weg op het busstoeltje in twee maal 90° hoek. In mijn hoofd schrijf ik mijn volgende blog. In mijn buik blijft het grommen en veel later dan vijf voor twaalf leg ik eerst het gegrom het zwijgen op, spoel het door met straffe koffie en open weer mijn Woordenrijk.
Daar zet ik vooral de pennenvruchten van de academie, waar ik les volg neer. Mijn woorden scannen voor eigen amusement aldaar is niet verboden. Van flierefluiters, over gepretendeerde monologen, spannende (?) verhalen, tot gedichtenpogingen en wat nog volgt.

Amuseert u zich vooral 😊

De DaVinci code krijg ik vrijdag te horen.

foto’s: De Lijn, van de campagne in 2017; de klok: in het ziekenhuis tegen de muur; DaVinci: de gang naar de dienst ‘Nucleaire geneeskunde’ (Sint-Augustinusziekenhuis Wilrijk)

Flierefluiter op de dijk

Af en toe zet ik het resultaat van een oefening - na feedback* - van de academie hier neer.
Niets is echt helemaal waar, noch helemaal onwaar...
*wegens ziekte docent, geen les gehad, dus mag u de feedback doen 😉

De opdracht was – enkele weken geleden – een tekst te schrijven met volgende situatie: een bankje op de dijk, waar iemand zit en er komt iemand anders bijzitten. Wat gebeurt er dan? Twee maal: alwetend perspectief en ik-perspectief. Elk in maximum 300 woorden. Het ik-perspectief houd ik u nog te goed. Het alwetend was te gretig, aldus hier haar verhaal:

De man, op de dijkrand balancerend, slaat doelbewust de bankjes gade. Nonchalant wandelt hij naar het bankje waar een jonge vrouw zit te genieten van haar laatste uurtje zeegroen uitzicht, haar rugzak onder de bank gedeponeerd, voor ze terug naar huis treint.

Gespeeld verbaasd blijft hij voor haar staan en roept uit: “My God, is that you?” Hij ploft naast haar neer en ratelt verder, zichzelf Brit wanend. Ze herkent dat zangerig accent van haar eigen roots en dat verraadt hem. Hij zit dichtbij waardoor zij hem haar rug toont en zo blijft zitten. Hij stapt niet op. Integendeel, hij schuift dichterbij, flirtend, denkend dat het aanslaat. Van lieverlee zet de vrouw zich weer recht maar schuift twee-handen-breed verder weg.

Ze besluit, tegen beter weten in, hem een kans te geven. Ze vraagt hem in het Nederlands over wie hij het heeft. Van verbazing – in zijn arrogantie beseft hij niet dat er intelligente vrouwen bestaan – begint hij in het Nederlands, overschakelend op Engels, hopend dat hij de situatie kan redden. Zwetend zoekt hij naar woorden terwijl hij denkt dat dat mannelijk, ergo aantrekkelijk is, zeker tezamen met die schuurpapieren wangen. Ze gebiedt hem in het Vlaams verder te gaan. Het venijn in haar stem valt hem natuurlijk niet op.

In een volgend cliché uit zijn arsenaal over hoe ze eruit ziet, een reistypetje, hoopt hij alsnog haar voor zich te winnen. Ware het niet dat een voorbij huppelend kind hem doorheeft en zijn papa luidkeels op de ruzie wijst. In een laatste poging zijn gezicht te redden, pseudo-grapt hij; “Maken we het goed bij een koffietje?”
De volgende seconde kijkt hij haar na, haar rugzak bengelend over haar ene schouder waarbij haar laatste woorden, rood aanlopend uitgeschreeuwd, nazinderen. “Er is geen wij!”

Ze verdwijnt tussen de massa, richting station.

AMK – 30 november 2022

Stenen vondst

Af en toe zet ik het resultaat van een oefening - na feedback - van de academie hier neer.
Niets is echt helemaal waar, noch helemaal onwaar...

Hoe lang zou het duren voor de stenen vielen?

De slapende lichamen leken als zware zandzakken neergelegd tussen de grashalmen. Hoe koud zouden ze het hebben? Ik vroeg het me af. Ze leken wezenloos en als ze dat nog niet waren, zou de laagste rotsblok daar voor zorgen.

De vrouw zal het vast warmer hebben gehad, tussen de modder en het lichaam bovenop haar. Waarom zagen ze er in hemelsnaam zo vredig uit? Was ik in een fantasyfilm terechtgekomen?
Dat beeld van de lichamen in de modder met die rotsen boven hen tartte elke verbeelding, zelfs de mijne. De lichamen, over elkaar heen, in het slijk tussen het gras. Ver boven hen ontwaarde ik licht- en donkergrijze tinten in een wolkenstreep waar een zwarte kraai rond cirkelde. Uit de wolk vertrok een touw naar beneden, dubbel gebonden rondom een reuze rotsblok. Het touw daalde verder naar een lagere blok, strak omheen vastgeknoopt. Hoe lang zou het touw het houden? Zou de vogel de koord doen knappen?

Het geblaf van de hond van mijn buren, Henri en Elise, leek wel een door God of zijn universum gezonden teken. Abrupt werd ik wakker en schoot recht in de zetel met een nog onwerkelijk gat ergens tussen de fantasy en de concreetheid van het wakker zijn.

Met de belofte hun hond dit weekend tijdig uit te laten en eten te geven, had ik de gemeenschappelijke deur tussen onze twee tuinen opengelaten. Ik woonde hier nog niet zo lang en meestal ben ik de laatbloeier in een nieuwe omgeving. Maar in hun hartelijke gastvrijheid zwom ik spontaan mee. Ze leken de artistiekelingen van de wijk, beetje doorleefd voor hun nog jonge leeftijd, dat wel. Toch trok hun optimistische aard me wel aan. En een wederdienst voor het mooie vrolijke tuinhek, waar zij voor gezorgd hadden, leek me wel passend. Beter een goede buur dan een verre vriend, al ken je ze nog niet zo goed, toch?

Nu gromde en blafte de hond hees, helemaal anders dan zijn vraag om een wandeling, eten of een spelletje. Toen ik buitenkwam, rende hij als een pijl uit een boog weg.  Wat zou dat toch in hemelsnaam zijn? Bijna over mijn eigen voeten vallend, volgde ik hem. Hij was sneller, zelfs doorheen de witte muur van mist.

“Laaassie!”, riep ik zijn schelle blaffen na. Was er een naam die meer cliché klonk? Het geblaf ging plots over in een gehuil. Ik was heel dichtbij. Tot ik versteende. Werd de fantasy vanop de warme zetel toch echt? De modder, het koppel, over elkaar heen gelegen, het vredige aanzicht… Ik keek naar boven, knipperde met mijn ogen; geen rotsblokken aan een touw te zien. Zucht!

Lassie draaide hijgend rondjes, rende het stukje tussen het paar en mij op en neer en sprong dan tegen me aan. Voorzichtig zette ik een stap in die richting. Er gebeurde niets. Nog een stap. Nog niets.
“Hallo!” Mijn stem piepte. “Haaallooo!!” Dat ging al beter.
Nog twee stappen en ik was bij hen. Gebiologeerd door de bijna lieflijke houding van de twee mensen. Tot ik iemand hoorde gillen. Mijn eigen stem!

Ik liet me op mijn knieën vallen. Ik trok eerst aan de man, rolde hem op zijn rug en sleepte toen de vrouw van de modderplek weg. Lassie jankte nu zachtjes, tussen de twee lichamen in gezeten. Toen zag ik het zelf pas. Een verlammende realiteit, zoals ze daar lagen; met hun gezichten naar boven, nog nauwelijks ademend, blauw en bleek tegelijk. Wie moest ik eerst reanimeren? Henri of Elise?

AMK – 29 november 2022

Dit verhaal schreef ik n.a.v. een foto. De oefening was – zonder voorafgaande kennis van het oorspronkelijke verhaal – zelf iets te schrijven (eender wat, poëzie, verhaal, …). De foto werd origineel gebruikt voor een verhaal, geschreven in het teken van het jaar van Stijn Streuvels vorig jaar (meer info: HIER ). Ik kan omwille van de bekende reden deze foto zelf niet plaatsen. Vandaar eentje uit mijn eigen wanordelijk geordende foto map

De geurherinnering

Af en toe zet ik het resultaat van een oefening - na feedback - van de academie hier neer.
Niets is echt helemaal waar, noch helemaal onwaar...

‘Amaai, dat ruikt hier lekker naar koffie.” Het is mijn buurvrouw die iets komt vragen. Ik ben nog maar een halfuur weer thuis en nog vol van de geur die ik van buiten meenam. Koffie ruik ik nu niet. Gelukkig bekoort de smaak ervan me nog wel. Die geur die mijn neus in beslag genomen heeft en nog even nazindert stelt zijn veto. De andere geuren verdwijnen … weeral.

“Kom binnen,” nodig ik haar uit en vertel terwijl zij zich neerzet aan de tafel en ik de koffie in een thermos giet.

“Ik heb de herfst geroken buiten. De regen van de afgelopen dagen hing nog in de bladeren. Het hele park rook ernaar.”

Over en weer snellend tussen de keuken en de borden- en bestekkast, vertel ik verder over mijn reukervaring.

“Ja,” zegt ze beleefd, “dat is wel een heel specifieke geur.”

“Juist, vind ik ook,” antwoord ik en wil verdergaan, over toen ik bij de weg belandde en moest wachten op groen licht om over te steken. De fijne stof- en andere roetdeeltjesgeuren katapulteerden me naar lang vervlogen tijden, waar ik in Piraeus op de boot wachtte en zo ongeveer dezelfde ervaring had; Naft!

“Toen ik thuiskwam zonet, probeerde ik ook andere geuren op te vangen,” zeg ik, helemaal in de ban van al dat ruiken. Mijn hersencellen flakkeren weer op. Ze werken toch nog, de luiaards. Als ze maar geurig geprikkeld worden. Had de dokter me dat twee jaar geleden niet kunnen adviseren? ‘Oefening baart kunst’, meer moet dat niet zijn.

“Maar het was maar voor even,” voeg ik toe. Was ik toch te enthousiast? Straks knettert dat reukcentrum nog in mijn hersenpan, eindigend in een kortsluiting. De benzineherinnering blijft tenminste nog hangen.

“Het lukte maar even met de kruiden. Weet je welke geur van buiten is blijven hangen?” ga ik verder, mijn verhaal enthousiast uiteenzettend over dat hoofdpijn bezorgend aroma van de vierwielige weggebruikers. Pijn en vreugde liggen dicht bij elkaar. Ik zit tegenover haar, schenk koffie voor ons beiden in en zie haar dan pas een beetje bedenkelijk kijken.

“Maar je bent hier natuurlijk niet voor mijn geurige avonturen. Wat wilde je eigenlijk vragen?”

“Euhm, nu ja, over de gemeenschappelijke ketel. Ruik jij ook gas af en toe?”

AMK – 22 november 2022

Onbevangen wereld

De onbevangen wereld van gisteren
ik treinde er gewoon heen en reed mee

Om daar te zien

De twee- en de tienjarige
vier handen op één buik
Vanzelf!

De zeven- en bijna zevenjarige
beste vrienden
Vanzelf!

De volwassenen daar was ik ook 
hoe kon ik weten nog onderweg

De handen op die buik
de beste vrienden
of volwassenen daartussen

Moest ik kiezen?
En tussen de verjaardagstaart
de pannenkoeken en de pakjes

Koos ik niet
elk moment na elkaar
was ik er gewoon

en daarna weer weg
onderweg naar terug

Met een zomaar gedachte
af en toe weer twee te zijn, zeven of tien
Hoe onbevangen zou de wereld er uitzien?

AMK – 21 november 2022

Hoeraaa!