Een hoofd te vol op dit lijf te raar, om te geloven af- en ingedraaide delen scheef en schots verschoven vandaag ben ik ondersteboven
Ik zie ik zie wat jij niet ziet vanonder gaat naar boven de wereld op z’n kop gedraaid wat zal die nog geloven vandaag ben ik ondersteboven
Ik zie, ik ruik, ik hoor, ik proef ik voel me soms verdoven als ik weer naar buiten keer die mens, dat dier, die bloem en zin om dat te loven vandaag ben ik ondersteboven
AMK 23 november 2021
de verhoudingen zijn expres zo, sowieso zonder tekentalent of ervaring
Vandaag, deze dag de zielen, de mensen nooit vergeten die jaren hoe ze nog heten wie ze waren Vandaag deze dag missen we net iets meer
Wie denkt aan diegenen die niemand nog kende onderweg naar licht zoekend gestorven en nu onder vreemde koude stenen of zelfs daar waar niemand heen zal benen Vandaag deze dag, doe ik het tóch wel even.
En dan is er Zij
Dit is Haar graf Ik spreek met haar Zij, die overal nog is, elke dag Al voel ik dat ze nu haar rust gevonden heeft Haar optimisme, het flegma waarmee ze iets moeilijks kon afsluiten. En weer verder gaan. Daar denk ik nog aan. Aan wie ze niet was noch kon of mocht zijn Wat maakt het uit Als alleen de liefde er altijd was? Vandaag deze dag nog is!
(foto van Haar graf: vooraf met zorg opgemaakt door mijn broer en schoonzus, de foto zelf heb ik een beetje bewerkt, de originele is in goede handen)
Op het moment van de foto had ik hem duidelijk nog … maar op een stormachtige dag was zelfs deze paraplu niet bestand tegen mijn eigen naam*, al wist ik dat toen nog niet. Vandaag was ik even buiten en voelde ik me mijn naam helemaal waardig 😉
Mijn paraplu,
tja, waar is hij nu?
Beland in de vuilbak,
want hij ging kapot met één krak.
Dat kwam door de wind,
die was die dag niet goed gezind.
Ik dacht nog : “Anne-Mie, houd die paraplu recht.”
Maar ja, dat had ik beter hárdop gezegd
want er kwam niets meer van terecht.
En maar waaien dat windje
mijn plu kreeg een extra hintje
Opeens, één, twee, drie, hop,
het stof vloog helemaal over m’n plu’s kop.
Alles aan m’n plu-tje hing los,
het werd éne grote klos
Tja, m’n plu is er nu niet meer,
en dat doet m’n hart zo’n zeer.
Maar ja, misschien met wat geld, geluk en wat regen,
kom ik er gauw een nieuwe tegen.
AMK
* als je mijn naam met het accent op de Á uitspreekt, klinkt het als ‘de winden’ in het Grieks (Ánemos = de wind, Ánemie = de winden); een trucje dat ik soms gebruikte wanneer ik mijn naam al te veel moest herhalen bij een hotelboeking of wat anders.
Zijn naam is Luis. Ik weet niet of hij nog in België is of niet. Hij is zo een van die weinige mensen die ik slechts een korte periode in mijn leven kende maar nooit vergeet.
Ik kwam hem tegen op zo’n datingssite uit de tijd ik dat nog spannend vond (lang geleden dus). We schreven eerst veel. Ik vond hem (knetter)gek met zijn liefde voor vrijheid, avontuur en fotografie. Hij vond mij ‘a real person’ (zo heeft hij dat letterlijk geschreven).
Uit de dingen ik me nog herinner:
We hadden elkaar ontmoet! Op het nippertje, toen nog té verstrikt in mijn westerse alles-en-nog-wat-afwegende gewoonte. Ik moet nog de was doen en de strijk en morgen ga ik naar mijn ouders, dan kan ik ook al niet. En mijne belastingbrief is nog niet ingevuld…
De dag zelf, dat ik niet zou gaan, stuurde ik een berichtje dat ik toch afkwam. Hij woonde in Antwerpen, ik in Hasselt. Hij zei onmiddellijk ja. Over flexibel gesproken. Hij kwam me afhalen aan het station en we gingen eerst een koffie drinken. Het contact voelde zoals het schrijfcontact, echt en gewoon. Geen opgelaten gevoel, wat het ongewoon verrassend maakte.
We zwierven door Antwerpen, we aten frietjes bij N°1, die hij absoluut wilde betalen. Meer kon hij zich niet permitteren zei hij. Frietjes waren prima.
Hij zag er niet uit, echt niet, met die halflange haren slingerend over en weer zijn hoofd en in zijn gezicht, zijn manier van gaan, tussen snel/lenig/heupwiegend en slenterend/stilstaand, als een kind verwonderd rondkijkend, hoewel hij toen al een hele tijd in Antwerpen woonde. Ik keek ingetogen verwonderd naar hem. Hij die zonder franjes, zonder op- of omkijkend naar deze of andere die hem bekeek, door Antwerpen liep en vertelde zonder dat het één enkele minuut saai werd. Hij trok zoveel foto’s, ook van mij.
Achteraf bleven we nog even schrijven en hij stuurde de foto’s die hij die ene dag van mij gemaakt had. Zo’n korte open vriendschap, geen enkele fysieke aantrekkingskracht van beide kanten maar wel een openheid om te praten over alles en nog wat. Dat zijn zo’n dagen dat ik me voel wie ik ben.
Hij werd zelfs geïnspireerd tot een gedicht, door een foto van mij die ik hem stuurde van een reis, ergens onderweg in Kreta.
Zijn grote hobby’s waren fotografie en schrijven. Zijn grote liefde was een vrouw ergens in Vlaanderen (ik niet), die hij aanbad, een kind bij had maar niet bij kon samenwonen. Zijn afkomst was Argentijns. Zijn grote nachtmerrie was zijn job. Wat ik me ervan herinner was hij helpdeskmedewerker. Cijfers, cijfers, cijfers halen … geen vrijheid, geen eigen inbreng, verstand op nul. In een van zijn laatste berichten schreef hij dat op het matje geroepen was en op een bepaald uur bij de baas moest komen. Hij zat nog door het raam te kijken. Het was mooi weer. Hij stond op en ging naar buiten, aangetrokken door het licht. Toen hij terugkwam lag er een ontslagbrief op zijn tafel. Hij was blij. Time to move on! Hoe optimistisch kan je zijn? Ik hoop voor hem dat hij ergens in deze wereld volop aan het genieten is, met de liefde van zijn leven, in alle vrijheid.
Hem opzoeken doe ik niet. Hij is een fijne frisse herinnering, waar verwachtingen niet bestaan, alleen het NU. Die herinnering komt zo nu en dan bovendrijven.