Verhalenwedstrijd

Fictie schrijven is iets dat ik nog maar pas ontdekt heb. Zoals ik min of meer in mijn blog van gisteren beloofd had, hierbij een verhaal. Ik koos er eentje dat al aan de feedback werd onderworpen.

Momenteel ben ik aan het zweten over een ander verhaal. Dat vertel ik hier nog niet. Dat verhaal moet dienen voor een wedstrijd. Die wedstrijd heeft als deadline  19 april, dit jaar. Ik geef hierbij de link. Wat laat, ik weet het. Blijkbaar voldoe ik nog steeds aan een kenmerk van een ‘heuse’ schrijver, uitstelgedrag. Stel dat u toch nog in laatste instantie een hoop inspiratie opdoet en ook uw pennenvruchten wil insturen, ziehier de link. https://entries3.wixsite.com/schrijfretraites/wedstrijd. Veel geluk!

Nu mijn andere verhaal, dat komt uit mijn eerste schrijfcursus ‘Starten met schrijven’: de opdracht was om terug te gaan naar onze kindertijd en na te denken over wat we later wilden worden en daarover dan een scène schrijven. Fictie of waarheid? 😉

Haar glimlach verbreedde toen nonkel Mon zei dat ze talent had om piano te leren spelen. Met blozende wangen van plezier, speelde Maartje het eenvoudige kinderliedje nog een keer. De omzittenden zongen mee,  ‘Broeder Jacob, broeder Jacob …’ Ze genoot zichtbaar en haar favoriete oom werd haar meest toegewijde fan. Het zingen ging nog even door, afgewisseld met mopjes vertellen en vrolijke raadseltjes oplossen. Zo in het middelpunt van de belangstelling voelde ze zich in haar nopjes. ’s Nachts droomde ze haar eigen komende succes.

De volgende dag in de klas, vertelde de juf over beroepen. Dat triggerde haar wel. Nog half dromend over de vorige avond, waarin ze zich een beroemde ster voelde met nonkel Mon als haar grootste fan, antwoordde ze enthousiast ‘pianospeler’, toen het haar beurt was om te antwoorden op de vraag wat ze later wilde worden.

De hele klas schoot in de lach en zelfs de juf moest haar best doen om zich in te houden. Ze keek een beetje beteuterd rond. Haar klasgenootjes vonden haar soms een beetje raar, maar wel altijd grappig.

‘Gisteren was het juffrouw’, ‘vorige week wilde ze nog mensenhelper worden’ of ‘klerenmaakster’ … werd er zacht gefluisterd. Maartje was het wel gewoon. Ze had meestal ook genoeg aan zichzelf en haar dromen. Ze zweeg, bleef in haar eigen wereld, waar nog net genoeg plaats was om de les te volgen.

‘Misschien,’ dacht ze, ‘misschien moet ik eerst maar eens groot worden.’

ps. die foto ben ik, het doet me denken aan een regel in een Grieks lied. Wie het denkt te weten, mag me trakteren op een afhaaletentje 😉

De laatste vandaag

Dat zou je van elke dag kunnen zeggen. De ene al belangrijker dan de andere. De laatste vandaag! Morgen is er een andere. Terwijl ik het schrijf zie ik de verwarring. Het is vandaag de laatste. Ziezo!

Het is vandaag niet wat ik ervan verwachtte en het ligt niet eens aan mij. Toch niet met voorbedachte rade! Het ligt zeker niet aan de omgeving, aan de medecursisten noch aan de docente. Had ik dan magie verwacht? Een toverformule?

 Ik vraag me in stilte af waarom ik überhaupt verwachtingen heb. Ben ik niet degene wier tigste lijfspreuk Verwachtingen schept teleurstellingen is? Inderdaad, ik heb het zelfs aan den líjve ondervonden.

Het loopt niet lekker. Het leien dakje is ver zoek. Gewoon zoek, dat had ik nog aangekund. Die verdomde migraines ook. Onvoorspelbaar. Ze zinderen lang na. Hele dagen zelfs bij de laatste. Ik moet een zondebok met een naam hebben.

En toch. Ik ben blij dat ik deze laatste toch gegaan ben. Ook al boorde de wekker vanmorgen het toch al ijle bestaan van mijn hersens doormidden. Een verkorte Tai Chi voor het raam, een verwarmende douche, een koffie, een gezond – mini weliswaar – ontbijt later en ik kan er tegenaan.

De koude wind doet nu nog deugd. De tram is op tijd. Weinig volk. Ik heb een zitplaats. Stilaan word ik toch wakker. Ik wil erbij zijn. Vandaag gaat de les over column schrijven. Laat dat nu net iets zijn waarvan een pennenvriend mij aanraadde dat ik zeker moet proberen. “Schrijf kranten aan, probeer op onregelmatige basis opdrachten aan te nemen.” Hij kent me goed, die verre pennenvriend, op onregelmatige basis.

Wat ik ook probeer vandaag, het komt niet op papier zoals het in mijn ziel zit. Het is druk in mijn hoofd. Het lukt niet om me imaginair af te sluiten van de geluiden. De tram buiten, het gerommel in deze gangen, trappen, lokaaltjes waarvan ik denk dat er veel te ontdekken valt. Het komt allemaal ongefilterd binnen. In ons lokaal kan ik de medecursisten horen denken terwijl ze schrijven.

Waarvan ik niet overprikkeld raak, zijn de columns die ik hoor van diezelfde medecursisten. Ze zijn gevat, krachtig, mooi. Ze staan er gewoon! Ik weet van mezelf dat ik beter, gevatter, krachtiger kan. Niet dan de medecursisten, natuurlijk niet – ieder heeft zijn/haar eigen stijl – het is eerder een werk in ontwikkeling. Zoals zonneschijn na regen. Er komt echt nog iets van. Toch iets geleerd vandaag! Wie weet, als mijn ‘huiswerk’ af is, mag u het meelezen. Ik die dacht dat een column schrijven makkelijk was. Het is, hoewel heel prettig, hard werk.

Schrijven, het blijft zuurstof. Zoals in dat ene Griekse lied ‘Το πεπρομένο’ (het lot) voorkomt: …  van kindsbeen af, zag ik het vuur in mijn dromen …

Een geruststellende les die ik geleerd heb in deze vier zaterdagen, is dat schrijvers geniaal zijn in uitstelgedrag. Ook al is het hier thuis niet spic & span, dat gedrag vertoon ik niet. Uitstellen, daar kan ik wél wat van. Het is in elk geval geen afstel. Ik wist het toen al. Zou ik nu toch al een beetje een echte schrijver zijn? Of gewoon geniaal?